Sensatie in het Statenkwartier – Ontspoorde jeugd (1922)

In dit jubileumjaar besteden we aandacht aan een aantal sensationele gebeurtenissen uit het verleden van onze wijk. Dat doet Karel Wagemans in een reeks van vier artikelen, waarvan hier het tweede volgt. Om het leesgemak te bevorderen is de spelling van de citaten gemoderniseerd.

Door Karel Wagemans

Begin juni 1922

Na een weekend afwezig te zijn geweest, treft de bewoner van een villa te Warmond bij terugkeer een ruïne aan. Ramen zijn ingegooid en het aanwezige meubilair is zwaar beschadigd. De schade bedraagt vele honderden guldens.
De Warmondse politie stelt een onderzoek in. De agenten koesteren verdenkingen tegen een stel Haagse jongens dat in het bewuste weekend in de buurt van de villa in een zeilboot heeft overnacht, maar er kan niets bewezen worden.

Later die maand, op dinsdagavond 27 juni, rukt de Scheveningse brandweer uit na het ontvangen van een brandmelding in de Van Dorpstraat. De brand is op no.14, een pas gebouwd, maar nog onbewoond pand. Het vuur is kennelijk aangestoken en wordt snel geblust.

Pas hierna blijkt dat er binnenshuis een ontzettende ravage is aangericht. Marmeren schoorsteenmantels en ook de closetpotten zijn in puin geslagen, mozaïekvloeren met verf besmeurd, waterleidingen doorgezaagd, deurpanelen ingetrapt, glas-in-lood ramen en ingebouwde spiegels vernield, terwijl de muren van alle vertrekken volgekladderd blijken te zijn met obscene afbeeldingen en uitdrukkingen.

Werk voor de politie dus! Die denkt aanvankelijk aan een wraakactie van enkele ontslagen bouwvakkers die in de woning werkzaam zijn geweest, maar die kunnen direct hun onschuld aantonen. Door publicaties in de landelijke pers over het voorval wordt de Warmondse politie op de kwestie geattendeerd. Die tipt de collega’s in Den Haag over de eerdere vernielingen in de villa te Warmond en over de toen gerezen verdenkingen tegen de Haagse jongens. En zo raakt de bal aan het rollen.

Arrestaties

Binnen enkele dagen worden zeven jonge Hagenaars eerst in verhoor en vervolgens in hechtenis genomen. Aanvankelijk ontkennen zij nog, maar later komen de bekentenissen los. Samen en afzonderlijk blijken de knapen heel wat op hun kerfstok te hebben: vernielingen, diefstallen, inbraak en een bijna gelukte ontsporing nabij de Kranenburgweg van de stoomtram Scheveningen richting Hollands Spoor – in 1927 op dat traject vervangen door de elektrisch geleide lijn 11. Alle verdachten wonen in het Statenkwartier, zes van hen komen uit wat men in die dagen “gegoede kringen” noemt. Zeker dit laatste feit verbijstert het publiek: jongeheren doen zoiets toch niet?

Maar dat hebben ze uit pure baldadigheid wel degelijk gedaan. En daarmee is een schandaal van de eerste orde geboren!

In Nederland en Indië worden de door hen gepleegde wandaden in de pers breed uitgemeten. De Amsterdamse courant De Telegraaf lanceert daarbij als eerste de term ‘Haagse vandalen’. Een aanduiding die al gauw wordt overgenomen door vrijwel alle andere Nederlandse dagbladen. Behalve dan bij die van socialistische signatuur. Daar gebruikt men liever de wat schampere benaming ‘jongeherenbende’. In de Indische kranten doet men het iets subtieler af met ‘boefjes van goeden huize’. Maar in de eigen stad is de berichtgeving uiteraard het meest gevoileerd en houdt men het op ‘baldadige jongelui’. Mogelijk om in de kring van abonnees geen opzeggingen te veroorzaken.

Beperken de kranten in Nederland zich tot een vermelding van de initialen van de verdachten, de Indische kranten geven hun namen voluit. In volgorde van hun arrestatie betreft het de navolgende personen, waaraan nog enkele aantekeningen omtrent hun toenmalig domicilie en latere levensloop zijn toegevoegd, verkregen uit recent onderzoek.

De daders

Jan Hageman, scholier, geboren te Rotterdam in 1904, wonend in het ouderlijk huis aan de Van Boetzelaerlaan no. 115, vader: accountant. Beticht van het willen laten ontsporen van de Scheveningse stoomtram, brandstichting, inbraak en diefstal. Wordt tijdens het tegen hem gevoerde strafproces getypeerd als een zwak karakter en in zijn nadeel beïnvloed door de omgang met slechte vrienden. Door een te toegeeflijke moeder en een al te strenge vader met diens vele tuchtmaatregelen de straat opgedreven. Krijgt 2 jaar met aftrek van voorarrest. Weer op vrije voeten neemt hij dienst bij de marechaussee. Vertrekt in 1927 naar Limburg. Geen verdere gegevens bekend.

Daan Bekking, scholier, geboren te Haarlem in 1906, wonend in het ouderlijk huis in de Van Beverningkstraat no. 8, vader: pensionhouder. Heeft aan kinderverlamming een mank been overgehouden. Beticht van het willen laten ontsporen van de Scheveningse stoomtram, van brandstichting, inbraak en diefstal. Wordt tijdens het tegen hem gevoerde strafproces getypeerd als kinderlijk voor zijn leeftijd en mede door een falende opvoeding van zijn ouders onder invloed geraakt van verkeerde vrienden. Krijgt 1 jaar tuchthuis. Verwerft zich later naam als expressionistisch kunstschilder. Van zijn artistiek kunnen heeft hij al blijk gegeven in de villa aan de Van Dorpstraat. De daar op de muren met de verfkwast aangebrachte obscene figuren en uitingen zijn van zijn hand, zoals hij later huilend aan de rechter bekent. Hij overlijdt in 1973.

Johannes Willem van Vliet, marconist, geboren te Den Haag in 1903, wonend in het ouderlijk huis aan de Statenlaan no. 144, vader: architect. Beticht van het willen laten ontsporen van de Scheveningse stoomtram, inbraak en diefstal. Wordt tijdens het tegen hem gevoerde strafproces getypeerd als niet onsympathiek, maar wel wat arrogant. Van moederskant afkomstig uit een zwaar belaste familie, waarin volgens de ingeschakelde psychiater gevallen van chronisch alcoholisme en zelfmoord voorkomen. Krijgt 1 jaar met aftrek van voorarrest. Geen verdere gegevens bekend.

Aart Nagtegaal, vertegenwoordiger, geboren te Rotterdam in 1903, wonend in het ouderlijk huis aan het Stadhoudersplein no. 111 [nu: Cornelis de Wittlaan no. 129], vader: koopman in verfwaren. Beticht van brandstichting, inbraak en diefstal. Wordt tijdens het tegen hem gevoerde strafproces getypeerd als zeer onsympathiek en de kwade genius van de bende. Blijkt in 1920 betrokken te zijn geweest bij een toen geruchtmakend Haags zedenschandaal in de homoseksuele sfeer. Krijgt 2 jaar met aftrek van voorarrest. Gaat na zijn straftijd aan de slag als verkoper van auto-onderdelen. Hij overlijdt in 1961.

Geurt Arend Rademaker, zich noemende sportjournalist, geboren te Salatiga (op Java) in 1903, wonend in het ouderlijk huis in de Adriaan Pauwstraat no. 43, vader: arts. Beticht van brandstichting, inbraak en diefstal. Wordt tijdens het tegen hem gevoerde strafproces getypeerd als een bluffer en branieschopper die van nature niet wil deugen. Kampt met psychische problemen en is daarvoor van 1919 tot 1921 opgenomen geweest in de inrichting Bloemendaal te Loosduinen. Krijgt 4 maanden met aftrek van voorarrest. Vertrekt na zijn vrijlating naar Brummen (Gelderland), waar zijn ouders inmiddels wonen. Geen verdere gegevens bekend.

Jaap Evenwel, leerling aan de ambachtsschool, geboren te Lier (België) in 1903, inwonend bij zijn gescheiden moeder in de Van Beverningkstraat no. 288, vader: accountant. Beticht van de vernielingen in de villa te Warmond. Krijgt 1 maand in plaats van de tegen hem geëiste geldstraf van 100 gulden. Is later werkzaam als mecanicien. Hij overlijdt in 1988.

Johan Antoon Koppers, geboren te Den Haag in 1900, werkzaam in een kapsalon, wonend in het ouderlijk huis in de Van der Werffstraat no. 72, vader: winkelier. Beticht van diefstal en/of heling. Wordt tijdens het tegen hem gevoerde strafproces getypeerd als een nette en wat onnozele jongeman. Leert Nagtegaal en Rademaker kennen als klanten van de kapsalon. Wordt vrijgesproken. Opent nadien een eigen kapsalon voor dames. Geen verdere gegevens bekend.

Het proces

Op basis van het lijvige rapport (ruim 100 pagina’s) dat de Haagse politie opstelt, komt de zaak op 17 oktober 1922 voor de strafrechter. De tenlastelegging beperkt zich, per verdachte in kwestie nader uitgesplitst, tot vier punten.

Ten eerste, dat op de avond van 4 mei 1922 op een donkere plek bij de Kranenburgweg een uitgerukte ijzeren bank op de rails van de Scheveningse stoomtram is gelegd, waardoor ernstig gevaar voor de ontsporing van dat voertuig ontstond.
Ten tweede, dat in de nacht van 13 op 14 juni 1922 is ingebroken in de kweekschool voor onderwijzers van het Haagsch Genootschap in de Antonie Duyckstraat [nu: het Maris College] en dat daar 2 flessen kwik, geld en diverse andere zaken ontvreemd zijn.
Ten derde, dat op de avond van 27 juni 1922 vernielingen zijn aangericht in het pand aan de Van Dorpstraat no. 14 en daar vervolgens brand is gesticht. En ten vierde, dat er diverse diefstallen in vereniging of afzonderlijk zijn gepleegd. Onvermeld in de aanklacht blijven diverse ‘kleinere’ zaken, die door de verdachten tijdens hun verhoren aan de politie zijn opgebiecht, zoals het ingooien van een grote glazen reclameplaat in de Van Loostraat, evenals diverse spiegelruiten van winkels in het Statenkwartier en Duinoord en voorts nog de ramen van een aantal woningen. In het Frankenslag met behulp van een as-emmer!

De door hen begane diefstallen worden gemakshalve beperkt tot die van de duurste objecten: dat van een zilveren armbandhorloge bij horlogier Henry op de Frederik Hendriklaan no. 248 (door Hageman), die van een motorbroek en -bril (door Bekking en Nagtegaal) en die van 15 fietsen (door Hageman, Nagtegaal, Rademaker en Koppers), die daarna verkocht zijn. Het verkregen geld hebben de daders meestal verbrast in een café in de Aert van der Goesstraat.

Tijdens het proces zitten de tribunes in de rechtszaal propvol met publiek uit de betere kringen, zoals het socialistische dagblad Voorwaarts op 18 oktober 1922 weet te melden. De jeugdige beklaagden maken tijdens de rechtsgang niet bepaald de indruk zich de ernst van hun situatie te beseffen en zitten aanvankelijk zelfs lachend om zich heen te kijken.

Als het voorval met de stoomtram aan de orde komt, verklaart de bestuurder van dat voertuig dat hij slechts door nog juist tijdig te kunnen remmen een ernstig ongeluk met letsel voor hemzelf en dat der passagiers heeft weten te voorkomen. “Men begrijpt de mentaliteit van de jongelui niet als zij zelf verklaren dat zij aan de overzijde van het kanaal hebben staan wachten hoe hun grap zou aflopen,” verzucht indertijd een verslaggever van Het Vaderland. Het verschijnsel ‘ontspoorde jeugd’ moet dan natuurlijk nog aan zijn opmars beginnen.

De krantenkoppen

Deel 1: Sensatie in het Statenkwartier – Een geval van mishandeling (1907)

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.