Statenkwartier van toen: Wonen in het Statenkwartier: De cauchemar van Couperus!

door Karel Wagemans

 

Louis Couperus (1863-1923)

Geen enkele andere schrijver in Nederland is in zijn geboortestad postuum zo geëerd als Louis Couperus dat is in Den Haag. Met een gedenksteen aan de gevel van het huis op de Mauritskade, waar hij in 1863 ter wereld kwam, met een borstbeeld in de Surinamestraat, met een standbeeld op het Voorhout en met een aan hem gewijd museum in de Javastraat. Op 16 juni 2023 zal worden herdacht, dat het op die datum precies 100 jaar geleden is dat hij overleed. Over zichzelf schreef Couperus een kleine tien jaar voor zijn dood: “Zo ik ièts ben, ben ik een Hagenaar.” Maar van het Statenkwartier moest hij niets hebben. De bouw ervan vond grotendeels plaats in de ruim veertien jaren, die hij sinds oktober 1900 samen met zijn vrouw in het buitenland doorbracht. Door het voortduren van de in augustus 1914 uitgebroken Eerste Wereldoorlog zagen zij zich eind januari 1915 genoodzaakt naar het neutrale Nederland te repatriëren. Eenmaal terug in Den Haag namen de schrijver en zijn vrouw aanvankelijk hun intrek bij zijn zuster en zwager, de Vlielander Heins in de Molenstraat, om een half jaar later naar een eigen woning aan de Hogewal te verhuizen.

Zijn eerste indrukken van de voor hem zo veranderde stad heeft Couperus vastgelegd in Het Vaderland, de krant waaraan hij regelmatig bijdragen leverde. In de editie van 13 maart 1915 lezen we: “[Hij] verdwaalde in de nieuwe, in de zeer nieuwste wijken, waar reeds zeewind hem omruischte en de regen hem in het gelaat sloeg [en] hij zich verbaasde, hoe veel en hoe ver men in Den Haag had gebouwd, nieuwe huizen en steeds nieuwe huizen…”

Die dan nog vrij neutrale waarneming wordt een week later in dezelfde courant al bijgesteld naar een uitgesproken aversie tegen het Statenkwartier. Tekstueel hier enigszins ingekort schreef hij toen­: “Wat mij echter zonder overdrijving duizelig maakt in Den Haag zijn de nieuwe wijken, is de nieuwe stad, zijn al die brandnieuwe straten, genoemd naar allerlei min of meer bekende of beroemde persoonlijkheden, in welke straten vele verwanten, vrienden en kennissen wonen en die ik dus onmogelijk vermijden kan. Ze maken een verbijsterenden indruk op mij van eenvormigheid en eindeloosheid en als ge het mij nu op mijn geweten af vraagt, dan moet ik u eerlijk bekennen, dat ik nóoit mij zoû kunnen opsluiten in zulk een Haagsch-Hollandsch huis, met zulke keurige tulle gordijnen voor de spiegelende ramen, met zoo vele buren, die naast en over mij en fatsoenlijk en proper als ik zouden wonen. Zoo ik er moèst wonen, zoû ik vinden, dat ik geheel mijn vrijheid verloren zoû hebben en zoû ik mij ongelukkig gaan voelen. [Dus] in Godsnaam, dring mij niet de Stadhouderslaan met annexen op….” De gedachte in die buurt te moeten wonen was hem een ”cauchemar” [nachtmerrie] geweest, zo liet hij voor alle duidelijkheid in Het Vaderland van 11 september 1915 nog maar eens weten.

Julius Ephraim van der Wielen (1868-1943)

De boutade van Couperus over “de Stadhouderslaan met annexen” bracht de journalist Julius Ephraim van der Wielen, die sinds 1906 in de Adriaan Pauwstraat 14 woonde en onder het pseudoniem Rammelslag een column had in het Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage, in de editie van 1 april 1915 tot de volgende reactie.

“Couperus is altijd een zonderlinge kerel geweest. Als men met zijn geest het liefst verwijld in de grijze oudheid of in de onwezenlijke godenwereld der sprookjes voor groote menschen, dan is men natuurlijk geneigd een oud huis in de binnenstad, dicht ombouwd, donker en een tikje vochtig, te verkiezen boven een moderne, lichte, luchtige, comfortabele villa aan de Stadhouderslaan. [Wenst men] Couperus een huis in den Haag te offreeren, laat men dan een namaak-Dogenpaleis voor hem zetten aan het Smitswater. Dat zou zoo ongeveer met zijn smaak en neigingen overeenstemmen. Ieder van ons heeft nu eenmaal zijn hobbelpaarden.”

Johan Ram (1861-1913)

Een paleis werd het niet, maar met de bovenwoning aan de Hogewal was Couperus ook dik tevreden. Het zou tot eind maart 1923 het Haagse adres van hem en zijn vrouw blijven. Daarna volgde hun verhuizing naar Rheden; Couperus is er enkele maanden later in het tot die gemeente behorende dorp De Steeg overleden. Gelukkig voor hem heeft zijn nachtmerrie om in het Statenkwartier te moeten wonen dus nooit tastbare vorm aangenomen.

John Ricus Couperus (1853-1940)

Maar kende hij die buurt nu wel echt en wie waren dan die “vele verwanten, vrienden en kennissen”, die er wél wilden wonen en hem daardoor noopten hier naartoe te komen, zoals hij in maart 1915 schreef? In elk geval was dat niet zijn vroegere boezemvriend jonkheer Johan Ram, die voordien aan de Frederik Hendriklaan 219 had gewoond. Deze officier, die model zou hebben gestaan voor ritmeester Gerrit van Lowe uit De boeken der kleine zielen, was namelijk anderhalf jaar eerder overleden. Evenals Gerrit had hij de hand aan zichzelf geslagen. Andere goede vrienden van de schrijver, zoals Maurits Wagenvoort, Cyriel Buysse en Henri Borel, woonden in 1915 elders in de stad. Couperus zou nadien ook Salomon van Oss, de oprichter en hoofdredacteur van het weekblad Haagsche Post, tot zijn vriendenkring gaan rekenen, maar die verhuisde pas in april 1915 naar hier om er zijn intrek te nemen aan de Statenlaan 105. Van de schrijvers nog levende naaste verwanten, twee broers en twee zusters, woonde er toen slechts eentje, de oud-resident John Ricus Couperus, samen met zijn tweede echtgenote, Mary Rica barones van Lawick, in het Statenkwartier. Van 1909 tot 1920 was hun adres het Frederik Hendrikplein 27; daarna volgde een verhuizing naar Monte Carlo. Mary was van moederskant een kleindochter van Gesina Rica Couperus, een zuster van haar mans vader, en hierdoor ook de achternicht van beide broers. (Evenals trouwens de vrouw van Couperus, Elisabeth Baud, die de kleindochter was van een andere zuster.)

Trudy Vlielander Hein (1874-1936)

Vlakbij John en Mary woonde van 1914 tot 1918 in de Van den Eyndestraat 11 Trudy Vlielander Hein met haargezin. Als dochter van zijn gastheer en gastvrouw in de Molenstraat kan het haast niet anders of Couperus moet in die tijd ook haar bezocht hebben. Want hij was zeer op Ben en Toos, zoals hij zwager en zuster noemde, en hun vele kinderen gesteld; in De boeken der kleine zielen figureren ze als het “blonde troepje” van Adeline. Andere oomzeggers van de schrijver waren er toen in de wijk niet te vinden. Trudy kwam treurig aan haar einde, toen zij nabij haar latere woning in Wassenaar tijdens het oversteken van een drukke weg geschept werd door de chauffeur van een bus met schoolkinderen, die op de terugreis waren van een uitje. Een detail dat geen krant uit die tijd vergat te vermelden.

Salomon van Oss (1868-1949)

Directe familie van Couperus’ vrouw was er in 1915 in Den Haag niet. Haar broer Willem verbleef op dat moment (nog) op Java en haar zuster Willy zat in Soest. Ooms en tantes om te bezoeken had Couperus toen al niet meer en de paar van zijn vrouw woonden buiten de stad. Volle neven en nichten van allebei vielen er op dat moment in het Haagse voor zover valt na te gaan evenmin te bezoeken.

Zijn “vele” verwanten en vrienden in het Statenkwartier lijken er in werkelijkheid dus slechts maar een paar te zijn geweest en de visites, die de schrijver hier in de periode februari-maart 1915 aflegde, zijn waarschijnlijk beperkt gebleven tot het Frederik Hendrikplein en Van den Eyndestaat. Ook nu nog nauwelijks locaties die tot nare dromen aanleiding zouden moeten geven. Maar zoals Rammelslag al opmerkte: “Ieder van ons heeft nu eenmaal zijn hobbelpaarden.”

 

 

2 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.