Het Statenkwartier in de Nederlandse lectuur en literatuur

In dit artikel maken we een literaire tocht door de buurt. Ton van Rijn bespreekt 5 adressen uit onze wijk die iets te maken hebben met het werk van evenveel auteurs. Leuk om te zien hoe je eigen omgeving voorkomt in het werk van bekende schrijvers.

Pim Hofdorp

 Sambals voor Sweelinck is het vierde deel van de “Haagse Mysterie Reeks” van Pim Hofdorp. In zijn politieromans is commissaris Aremberg de centrale figuur. Deze misdaadroman-zonder-moord draait om de bezigheden van een aantal Indo-Europeanen. Het Indische Haagse leven in  het Statenkwartier en Duinoord wordt herkenbaar beschreven. Ook de goena-goena (stille kracht) speelt hier een rol van betekenis. 

 “Plotseling bleef de commissaris staan. Juist op de hoek van Frankenslag, en Prins Mauritslaan, schuin tegenover de kraamvrouwenkliniek. Op dat moment schoot het hem te binnen, dat Mieke Eldam na haar poging tot zelfmoord naar deze kliniek was gebracht en een plotselinge ingeving volgend, stak Aremberg de besneeuwde laan over. Achter een matglazen deur brandde licht. Hij duwde de deur, die aanstond, open. In haar portiersloge keek een jonge verpleegster verbaasd op van haar boek. Meestal waren het jongere mannen, die op dit uur verschenen en meestal waren ze ook nogal zenuwachtig en dat was deze oudere heer niet. Zonder zijn naam te noemen, vroeg de commissaris naar de toestand van Mieke Eldam. Het gezicht van de zuster klaarde op. ‘0, dan is u zeker een oom of zo. Nu meneer, Mieke Eldam heeft vanavond een zoon gekregen, zij maakt het heel goed en de baby ook. De … Fijn hè meneer?’ Het kwam er zo onbevangen uit, dat Aremberg een glimlach niet kon onderdrukken. Maar hij voelde tegelijk een grote ontroering over zich komen, een echt kerstgevoel: want dit kind van Dick Tijpat en Mieke Eldam zou een symbool van verzoening zijn tussen de twee werelden van zijn ouders – mensen van hier en mensen, van elders verdreven en naar hier gekomen. Nog véél méér van die kinderen zouden er geboren worden, kinderen uit Hollands-Indische huwelijken… Plotseling herinnerde Aremberg zich de woorden van een Indische schrijver – was het niet Breton de Nijs? ‘Uit hen zal een volgend geslacht groeien met een lichtere huid en zo verder, tot zij niet meer te onderscheiden zijn, noch in voorkomen, noch in hun opvattingen … ‘ 

Jo Boer

In 2020 werd Kruis of munt van Jo Boer “een compleet vergeten roman…maar een literaire verrassing van formaat” genoemd. De schrijfster kreeg er in 1949 de F. Bordewijk-prijs voor, uit handen van Bordewijk zelf. Wie zijn Karakter kent, met de strijd tussen vader en zoon, begrijpt waarom hij deze roman, met als thema de strijd tussen moeder en dochter, zo kon waarderen. Hoofdfiguren in Kruis of munt zijn de Hollandse makelaar Bruno Waringa (De Happerd), zijn echtgenote Johanna (De Ka en de Kuuk) en hun dochter Aletta (Puk-Struk). Een familie die in Indië aanzien genoot maar eenmaal naar Nederland teruggekeerd in verval raakt. Oorzaak van deze familiale ellende is, ondanks zijn vrolijke bijnaam, De Happerd. De Happerd is een autoritair man die ‘inlanders’ uit de Nederlandse kolonie als verachtelijk beschouwt en zijn kinderen zo terroriseert dat hun leven een brok ellende wordt. Centraal in dit verhaal staat echter Aletta en haar dochtertje Jopie. Aletta is na de scheiding van de frivole Bernard Landman bij haar ouders in Den Haag ingetrokken. Ze is teleurgesteld uit Indië teruggekeerd, waar ze een mislukte relatie achterliet. De nieuwe start verhindert Aletta, na een langdurige machtsstrijd, niet om toch wraak te nemen op het kind.

 “… toen de familie in Holland aankwam stond er in Den Haag een bovenhuis voor hen klaar in de Frederik Hendriklaan, boven een drogist. Tante Truu was tevreden over haar inzicht. Het huis is dicht bij de Bosjes, verklaarde zij, dicht bij Scheveningen, en dicht bij ons. Bovendien is het niet te duur. Er is een tramhalte vlak voor de deur. Het bovenhuis bestond uit een suite van twee kamers, die aan de voorkant uitzag, met een erker, op de electrische draden van lijn 10 en op de bovenhuizen aan de overkant. Van achteren keek de familie op een begrint platje, waarop enkele mosterdplantjes hun gele sterretjes hadden uitgestrooid, die echter maar heel kort bleven. Het verdere uitzicht bestond uit min of meer verveloze balkons, zwarte kolenhokken, en dikke cyperse katten wier domein zij waren. “Mijnheer Onder” beklaagde zich over het stampen van Jopie, waartegen de kousjes van zijn gaslampen niet bestand bleken, en gaf het kind soms een bruinbleek “dropje uit de blikken trommel”, dat het kind aandachtig bekeek, maar nooit in haar mondje stopte. Hierna verhuisde men naar het Prins Mauritsplein, om zich eindelijk definitief te vestigen in de Prins Mauritslaan, in een huis, dat het grote voordeel bezat over een dubbele tuin te beschikken. Maar was dit het Holland, waar Alet in Tosari van gedroomd had?     (Prins Mauritslaan 66 Dienst Stadsontwikkeling Grondzaken)

Nicole Smabers

In Stiefmoeder (2003) van Nicole Smabers (Den Haag, 1948),  staat het verzwijgen van familiegeheimen centraal. “In al mijn boeken gaat het over hetzelfde thema: hoe het is om met zwijgen op te groeien…Dat gevoel op te moeten groeien zonder verhalen is mij altijd dwars blijven zitten.” Dat zegt ze zelf over haar werk in 2003. Misschien ook dat ze daarom de voorraad zelf aanvult. Het boek bestaat uit twee delen. In het eerste staat Andrea centraal, in het tweede haar broer Hayo. Vader Paul komt uit Indië, maar is niet Indisch, moeder Martha komt uit een groot katholiek Brabant gezin. Contact met haar familie wordt verbroken nadat broer Thieu en zijn vrouw Gemma weigeren het gezin op te nemen dat moet evacueren voor de bouw van de Atlantik-Wall. Eén poging wordt nog gedaan de breuk te helen, na de oorlog, op een tweede kerstdag, maar die mislukt jammerlijk. Tijdens een bezoek van Hayo en zijn Brabantse neef Victor aan de noodkerk van de Martelaren van Gorcum op de plek waar nu het Verhulstplein is, gaat het ijzelen, raakt hij Victor kwijt en probeert naar huis te krabbelen.

 “De tocht naar huis in eenzaamheid, eerst schaatsend min of meer. De auto’s op de Houtrustbrug die in de bocht opzij gleden en naar de stoeprand dreven als boten naar de waterkant. Het zand op de trambaan van lijn 11 maakte zijn zolen stroef, hij liep het hele stuk tussen de rails. Bij de brievenbus op de hoek van de Boreelstraat stond Andrea hem op te wachten. ‘Ze zijn weg! Ze hebben alle vier geschreeuwd!’ schreeuwde ze hem tegemoet. ‘Maar mammie vindt dat we het kerstkonijn toch moeten eten.’ ‘Geschreeuwd waarover?’ ‘Over de oorlog! Ik blijf hier staan, de weg is spek!’ Andrea droeg oude sokken over haar schoenen om de zolen stroef te houden, een idee van moeder, voor hem had ze kapotte voetbalkousen meegegeven. Voetje voor voetje naar huis schuifelend deed Andrea verslag; hoe de overgang van vrolijk naar woedend was verlopen kon ze hem niet vertellen, wel hoe het was geëindigd. Oom Thieu en tante Gemma waren midden in de ruzie weggelopen, want vader had geroepen: ‘Ze hadden jullie in de tankgracht moeten gooien!’”

Stadhoudersplantsoen 150, HH. Martelarenkerk, noodkerk ter vervanging van de in 1943 afgebroken kerk aan de Cornelis de Wittlaan hoek Stadhouderlaan. Later is op deze plaats het Verhulstplein gekomen. De straat op de voorgrond is de (voormalige) Obrechtstraat zoals die eindigde bij het Stadhoudersplein.

Yvonne Keuls

 Ook uit Indië, kwam Yvonne Keuls met haar familie. Yvonne was een jaar of zes toen ze emigreerde uit voormalig Nederlands-Indië naar Nederland in 1938. Op het Frederik Hendrikplein 27 bevond zich Pension Louise, waar ze gingen wonen. Vooral in Mevrouw mijn moeder (1999), een van de vele boeken van Yvonne Keuls, kunnen we lezen wat het plein zo bijzonder maakte. Voor de 25.000 euro die ze ontving in 2011- de Cultuurprijs van de stad Den Haag- koos ze voor een standbeeld van figuren uit haar werk, de ‘Indische tantes’. Het beeld van Loek Bos staat bij de bloemenwinkel, precies tot waar mijn moeder vanaf de eerste etage kon kijken. 

                  (Pascal Korving)

 “We kwamen in huis bij Louise, van het gelijknamige Pension op het Frederik Hendrikplein. Mevrouw Louise was een indrukwekkende, grijze dame, met de omvang van een bierdrinker..(…)… Zodra mevrouw Louise het veld had geruimd, ging mijn moeder voor het raam staan om te kijken of ik er al aankwam. Ik was de enige op wie ze nog vat had. Haar andere kinderen waren vanaf de eerste dag in Holland al opgenomen in het westerse bestaan. Ze tintelden van al dat nieuwe en lieten zich in het pension nauwelijks meer zien…(…)

…thuisblijven, iets waartoe mijn moeder zichzelf veroordeelde omdat ze de laarsjes definitief had afgekeurd en nog geen schoenen had waarop ze goed kon lopen. Maar ze was nieuwsgierig…(…)…Ik was nog niet thuis van school, of ik werd er door haar weer op uitgestuurd. ‘Ga kijken buiten, hoe het eruitziet’, zei ze. ‘En kijk vooral om de hoek.’ Als een kleine heraut werd ik de straat op gestuurd met maar één opdracht: ik moest schallend terugkomen. Ik moest rondkijken met de ogen van mijn moeder, ik moest alles in me opnemen en bij voorkeur op die plaatsen die zij niet kon zien vanuit haar voorkamerraam aan het statige en elegante Frederik Hendrikplein.”

Bart Chabot

Veel schrijvers presenteren hun nieuwe werk bij boekhandel Paagman, een firma die er alles aan doet “het lezen te bevorderen”. Bart Chabot, schrijver van een ongrijpbaar oeuvre, variërend van ‘stadspoëzie’ (om hardop voor te dragen) via biografisch werk over zijn held Herman Brood, tot autobiografische romans zoals het indrukwekkende Mijn vaders hand (2020). In 2010, op 9 juni, waren er Tweede Kamerverkiezingen. Bart ging stemmen bij Paagman.

Het feest van de democratie

Ik ging naar Paagman om te stemmen. Boekhandel Paagman. Je kon tegenwoordig op de gekste plekken stemmen, en op de vreemdste tijdstippen, dus waarom niet in een boekhandel? Bovendien 

zat in die boekhandel het Kicking Horse Café: zo kon je het nuttige met het aangename combineren. 

 De laatste keer dat ik had gestemd lag knap lang achter me. Ik kon vaststellen dat er weliswaar ontzettend veel zaken in de wereld veranderden, maar sommige dingen niet, want daar had je de stemhokjes weer, en daar het rode potlood: een oude bekende. Het moest, stemmen, want het scheen erom te spannen: als we niet oppasten dreigde er een partij bij te komen of opeens heel groot te worden of iets dergelijks, en dat kon natuurlijk niet de bedoeling zijn in een democratie…(…)…’En daar: hij wees naar de aangepaste klikobak, ‘daar kom je stem terecht, op de bodem van de afvalbak.’ Ik rekende af en liep naar buiten, waar ik verrassend genoeg hoefgetrappel hoorde. Op de Frederik Hendriklaan kwam juist een open rijtuig aan, getrokken door twee paarden, met stapvoets een sleep auto’s erachter. Op de bok zat een koetsier. Hij was de rust zelve, en had geen zweep nodig om zijn paarden en het rijtuig door het drukke stadsverkeer te loodsen. (uit: De Patatbalie, 2010)

(foto Willem Vermey)

2 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.