Statenkwartier van toen: Een bijzondere bewoonster uit de Van Beuningenstraat

door Karel Wagemans

In de zomer van 1909 en nog geruime tijd nadien was zij ongetwijfeld de meest beruchte vrouw van Nederland. “Klein van gestalte, van uiterlijk schoon ontbloot, in sterke mate mank, zeer beschaafd van manieren en hoog ontwikkeld,” zo is zij in die dagen beschreven. Aangaande dat uiterlijk schoon bleken de smaken te kunnen verschillen. Want de publicatie van haar foto in een sensatieblad van toen (met de vermelding dat die in haar boudoir genomen was!) leidde tot een recordverkoop. “Tjonge, dachten alle oude, èn de jonge snoepers – dàt kon wat wezen! En ze kochten ,,Het Leven” bij duizenden,” vertelde het Nieuws van den Dag van 16 december 1910 zijn lezers snerend. De vrouw in kwestie was Mathilda Westmeijer (1874-1945): Tilly voor haar vrienden – vriendinnen had zij nauwelijks. Zij woonde van 1927 tot 1943 in de Van Beuningenstraat op nr. 9, een huis dat tijdens de evacuatie in de oorlog is gesloopt.

Haar dubieuze reputatie had zij te danken aan haar directe betrokkenheid bij de zogenaamde Lintjesaffaire. Kort samengevat kwam die affaire hierop neer, dat Abraham Kuyper, voorman van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), als minister van Binnenlandse Zaken in 1903 zou hebben bewerkstelligd dat ene Rudolph Lehmann tot officier in de Orde van Oranje-Nassau werd benoemd. Deze Amsterdamse zakenman was zo gevlast op die decoratie, dat hij daarna elfduizend gulden in de partijkas van de ARP had gestort. Boter bij de vis dus, naar het scheen…

Tilly, die toen nog in de hoofdstad woonde, was in deze aangelegenheid als tussenpersoon opgetreden en had zich door Lehmann voor haar diensten goed laten betalen. In de jaren 1904-1906 leefde zij dan ook op grote voet te Heemstede, zoals het dagblad voor de arbeiderspartij Het Volk wist te achterhalen, hoewel het onduidelijk bleef waarvan. Een door de voorzitter van de Eerste Kamer benoemde commissie om de affaire nader te onderzoeken, bracht in 1910 rapport uit. Van corrupte praktijken van Kuyper was de commissie niets gebleken, maar wel van diens ondoordacht handelen. De betrokkene liet vervolgens weten dat het boetekleed hem paste, hetgeen tekenaar Johan Braakensiek (tegenwoordig vooral nog bekend als de illustrator van de boeken van Dik Trom) tot een fraaie spotprent in De Groene Amsterdammer inspireerde. In politiek verband had Kuyper sindsdien als man van invloed afgedaan. Of Tilly nu wel of niet zijn maîtresse is geweest, blijft een twistpunt onder historici. Maar dat haar goede naam hoe dan ook naar de vaantjes was, staat vast. Zelfs in 1916 nam zij nog de zevende plaats in op de door Het Volk opgestelde ranglijst van dubieuze Nederlanders (zie knipsel).

Dat er indertijd ondanks alle ophef in pers en parlement toch veel verhuld is gebleven, wordt duidelijk uit het pas veel later ontdekte feit dat Tilly nog jarenlang duizenden guldens van Kuyper en Lehmann wist los te krijgen door hen te dreigen met pijnlijke onthullingen. Door het tijdsverloop begon die bron van inkomsten echter gaandeweg op te drogen. Kuyper overleed in november 1920 en Lehmann te Parijs in december 1928. Over die laatste berichtte de Nieuwe Rotterdamsche Courant in die maand, dat ”deze dood een leegte laat”. Voor Mathilde moet dat inkomstmatig beslist het geval zijn geweest. Sinds 1925 woonde zij op de Berkenbosch Blokstraat te Scheveningen in bij haar broer, een vertegenwoordiger in champagne, wiens inkomsten sterk wisselden. Voor Tilly was het in die dagen dan ook een financieel onzeker bestaan. Maar daarin kwam in de loop van 1927 verandering.

Eind juli van dat jaar nam zij namelijk haar intrek bij de enkele maanden daarvoor weduwnaar geworden Martinus Willem Lefèbre (1872-1951), die in de Van Beuningenstraat op nr. 9 woonde. Kennelijk een rentenier, die teerde op voordien in Indië gemaakt fortuin, want een betaalde baan schijnt hij na terugkeer in onze contreien nooit geambieerd te hebben. In 1933 zag hij zich benoemd tot secretaris van de Haagse afdeling van de Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren. Als Tilly in haar optreden soms iets had van aangeschoten wild, dan heeft dat wellicht bijgedragen aan de totstandkoming van hun relatie. Veel huishoudelijk werk had zij op haar nieuwe adres niet te doen, want daarvoor was een dagmeisje ingehuurd dat ook zorg droeg voor het koken van de maaltijden. Het kan niet anders of Tilly is in deze rustige straat een aparte verschijning geweest. Had niet zo’n 15 jaar eerder “het gesmoezel en gegrinnik van heel Holland omheen deze vrouw getold”, zoals toen in diverse kranten is opgetekend? En in Den Haag sterven schandalen langzaam, zoals Couperus al wist…

De ontruiming van het Statenkwartier maakte begin 1943 een einde aan deze situatie. Tilly kwam hierdoor met Lefèbre na een aantal omzwervingen in juni 1944 in de Sneeuwbalstraat terecht. En daar, op nr. 87, is zij eind mei 1945 overleden.

2 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.