Statenkwartier van toen: De moppige vertellingen van Mr. Kamp

door Karel Wagemans

Brengt deze vriendelijke zestiger in rokkostuum met zijn moppige vertellingen kunst? Dat vroeg toenmalig journalist van De Telegraaf en latere hoofdredacteur van de Volkskrant Joop Lücker zich half februari 1944 af, nadat hij in de kleine zaal van het Amsterdamse Concertgebouw een voordrachtsavond van mr. A.W. Kamp had bijgewoond. Hij kwam tot de slotsom dat het gebodene dat niveau niet bereikte, hoewel het zeker amusant was geweest. Om daaraan direct als feit toe te voegen: “De Haegsche humor is anders dan die in Amsterdam.” Die classificatie lijkt wat kort door de bocht, want op een enkele uitzondering na waren de recensies elders in het land sinds Kamps debuut als declamator in 1909 doorgaans zeer lovend te noemen, Het schijnt eerder zo te zijn dat Kamps wijze van presentatie door de tijd was achterhaald en – zeker tijdens de rauwe oorlogsjaren – inmiddels als nogal “oubollig” werd ervaren.

Scène uit Houd Steenwijk. Foto uit het weekblad Van Eigen Erf van 11 september 1931

Anthony Willem Kamp – Toon voor familie en intimi – kwam in 1879 in Meppel ter wereld, waar zijn vader kandidaat-notaris was. Nog voor hij zijn eerste levensjaar bereikte, verhuisden zijn ouders echter naar Steenwijk vanwege de benoeming van zijn vader tot notaris in die plaats. Toon groeide er op en zou zich zijn hele leven sterk met Steenwijk verbonden blijven voelen. Het kwam mede tot uiting in het door hem geschreven en geregisseerd openluchtspel Houd Steenwijk, een stuk dat daar in 1931 werd opgevoerd ter gelegenheid van het ontzet van de stad 350 jaar eerder, tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Hij doorliep het gymnasium te Zwolle om in 1898 rechten te gaan studeren in Leiden. Onder zijn medestudenten stond hij toen al bekend om zijn voordrachten en zelfgemaakte liedjes, aldus het Algemeen Handelsblad van 2 februari 1939 in een artikel naar aanleiding van Kamps 60ste verjaardag. Die verjaardag ging ook in het Statenkwartier niet ongemerkt voorbij. Op de Adriaan Pauwstraat 2, waar hij sinds zijn huwelijk in 1919 woonde, was het toen volgens Het Vaderland een va-et-vient van bezoekers, die daar een ongedwongen en gulle ontvangst wachtte. Tussendoor werden er stapels gelukstelegrammen bezorgd, waaronder eentje van de familie van de in 1933 overleden Albert Vogel. Deze bekende(re) voordrachtskunstenaar (aan wie het monumentje op het Frederik Hendrikplein nog steeds herinnert) was van 1926 tot aan zijn dood voorzitter van de in 1926 opgerichte Maatschappij tot Bevordering van Woordkunst. Kamp fungeerde binnen het bestuur van dat genootschap als juridisch adviseur.

Adriaan Pauwstraat 2: het huis geheel links, waar aan het dak wordt gewerkt. Foto uit 1978 door P.G. Kempff (HGA)

Na aanvankelijk als advocaat te Steenwijk hebben gewerkt, was Kamp in april 1908 naar Den Haag gekomen om hier redacteur buitenland van de Nieuwe Courant te worden, een dagblad dat in 1936 in Het Vaderland is opgegaan. Ruim een jaar later maakte hij zijn debuut als declamator in Diligentia. Hij heeft er nadien nog vele malen opgetreden, maar verkreeg ook al snel engagementen door het gehele land, meestal voor avonden van het Nut. Het bracht hem in de loop der tijd naar soms zeer afgelegen plaatsjes, zoals in februari 1916 naar het Friese Tzummarum. Het bleek een moeizame reis per trein, boot, auto, tram en rijtuig en hij kwam er als gevolg van het slechte weer ook nog eens te laat aan. Groot succes boekte Kamp met zijn eerste publieke optreden in de hoofdstad. Het was een ware triomf, deelde het weekblad De Kunst zijn lezers eind oktober 1913 mee. “Een stevig-gebouwde figuur met een oolijk gelaat en een stem als een klok. Wie hem éénmaal heeft gehoord, [zal] hem gaarne wéér hooren!” In zijn Amsterdamse optreden wisselden humor en ernst elkaar af en vooral zijn voordracht De IJsberg – over de dreigende botsing van een oceaanstomer waarop 2000 opvarenden met zo’n obstakel – maakte diepe indruk op het publiek. De tragische ondergang van de Titanic een jaar eerder lag velen toen uiteraard nog vers in het geheugen. Dit stuk van de hand van Henry Urban heeft jarenlang op Kamps repertoire gestaan. De samenstelling van dat repertoire was voor hem vaak aftasten. Naar hijzelf ooit opmerkte: “Ik wil niet voor de tweede keer een standaardwerk als de ballade van Reading Goal [van Oscar Wilde] instudeeren en voordragen om tot de ontdekking te komen, dat na de pauze het heele publiek op den loop is gegaan.” Wat dat betreft werden zijn humoristische voordrachten beslist hoger gewaardeerd. Maar ook “onder zijn Overijsselschen boert is dikwijls een ernstiger ondertoon verborgen, waarmee hij het hart regelrecht weet te treffen,” meende het Algemeen Handelsblad in 1939.

Toon Kamp. Foto uit het weekblad De Kunst van 25 oktober 1913

Kamp bracht werk van buitenlandse schrijvers in eigen vertaling ten gehore; Nederlanders zaten er niet tussen. Hun voortbrengselen waren naar zijn smaak teveel doortrokken van de “vale stemmingen van deftigheid en verveling”. Dan ging hij liever voor iets fris en vreugdevols, vertelde hij in 1913. Later zou hij ook door hemzelf geschreven stukken gaan voordragen, terwijl hij sinds 1928 tevens liederen ten gehore bracht. Populair werd zijn Scheveningsche vrijage, dat hij in toepasselijk dialect vertolkte. Overigens vermochten Kamps optredens lang niet steeds iedereen te charmeren. Zo schreef een recensent van De Telegraaf in het najaar van 1918 kribbig: “Hij betoont een bijzondere voorliefde voor nasale klanken en meent bovendien, dat zijn woorden het best worden verstaan, als hij zijn mond zoo weinig mogelijk opent en de lippen zoo veel mogelijk naar binnen zuigt. [Hierdoor werden] de fragmenten uit Macbeth en Richard III wel wat erg fragmentarisch, en humoristische voordrachten gelukkig tegen wil en dank bekort.” Daarentegen constateerde Luc Willink van Het Vaderland een aantal jaren later: “Er bestaan maar bitter weinig menschen, naar wien je negenhonderd maal een vollen avond kunt luisteren. Jean Louis Pisuisse was een derzulken. Verder zou ik niemand weten, behalve Kamp.”

Advertentie Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant d.d. 16-01-1934

Tegenstrijdige geluiden waren begin 1934 ook te horen in reactie op de publicatie van zijn boek Bizarre knipsels uit het dagboek van J. de Marre, voordrager. Door de ene krant bestempeld als kostelijke lectuur en door een andere afgedaan als een slecht verzorgde uitgave met rommelige inhoud. Aardig voor de lezer van nu is in elk geval de in hoofdstuk 27 opgenomen observatie, dat de toenmalige hondenbezitters in het Statenkwartier hun huisdier erop trainden om tijdens het uitlaten hun gevoeg pas om de hoek van de eigen straat te doen. Met de auteur zelf op de Adriaan Pauwstraat 2, de tekenaar van het omslag, Piet van der Hem, op de Johan van Oldenbarneveltlaan 101, en de uitgever op het Statenplein 21 – het adres van Kamps schoonvader – kan de uitgave in zekere zin als een echt wijkproduct worden bestempeld. Dat Van der Hems tekenstift geïnspireerd was door Kamps uiterlijke verschijning met de onvermijdelijke sigaar in het hoofd lijdt vrijwel geen twijfel.

Omslagtekening door Piet van der Hem

Unanieme waardering ondervond het project, dat Kamp in 1935 op zich nam: de opvoering van het openluchtspel Naar ’t land terug. Die opvoering vond aan de rand van Assen plaats, waar dat jaar de nationale landdag van de gezamenlijke boerenbonden stond geagendeerd. Kamp schreef de tekst, voerde de regie en nam tevens de hoofdrol van het stuk op zich, dat diverse historische taferelen omvatte en waarin zo’n 500 personen meespeelden. “Dezen krachtigen zestiger [is] nog niets te veel,” noteerde het Nieuwsblad van het Noorden in die dagen. Kamp was toen weliswaar 56, maar hij legde beslist een opmerkelijke energie aan de dag om alles in goede banen te leiden. De Leeuwarder Courant van 17 juli 1935 stelde bewonderend vast: “Waartoe mr. A.W. Kamp als schrijver en regisseur in staat is, bleek pas bij de opkomst van een geheelen Germanenstam met paarden en wagens, koeien en zelfs een kudde losloopende schapen.” Andere kranten roemden zijn subliem en suggestief spel. Bij de opvoering op 16 juli 1935 waren maar liefst 20.000 toeschouwers aanwezig. Het maakt het tot een van de grotere vooroorlogse manifestaties.

Scène uit Naar ’t land terug, Leeuwarder Courant d.d. 17 juli 1935

Kamp overleed ruim 10 jaar later vrij onverwacht te Amsterdam. Ook hij had – samen met vrouw, zoon en dochter – als gevolg van de evacuatie begin 1943 het Statenkwartier moeten verlaten en woonde sindsdien in de hoofdstad. Een operatieve ingreep in het ziekenhuis daar werd hem fataal. Bij zijn dood stond eigenlijk alleen de Opregte Steenwijksche Courant wat uitgebreider stil met een persoonlijk getint artikel van 13 november 1945. Dit sloot af met de woorden: “Waar Toon kwam, was de lach, de humor, de gezelligheid.” Als grafschrift geen slechte tekst!

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.