Statenkwartier van toen: Zondagskind van het Nederlands toneel

door Karel Wagemans

Onder de titel Mijn Tooneelleven verschenen begin 1935 in boekvorm de herinneringen van Marie van Eijsden-Vink, ooit een der meest geliefde actrices van ons land. Toen zij in de herfst van 1933 de pen opnam, werd zij niet door ijdele motieven gedreven en evenmin omdat zij zich geroepen voelde om pikante onthullingen te doen of literaire roem te oogsten. Haar doel was – het valt in het voorwoord te lezen – om door de verkoop van dit boek de kas van het pensioenfonds voor vroegere toneelmedewerkers te spekken. De daaruit afkomstige ondersteuning hield namelijk niet over, zoals zij van haar “oude trouwe” souffleuse Betsy te horen had gekregen. De schrijfarbeid was na een vlot begin enige tijd gestokt doordat haar man, Dieck van Eijsden, ernstig ziek werd. Maar na diens dood vond zij “ruimschoots tijd” om de pen weer op te pakken. Voor haar geen betere afleiding tegen de eenzaamheid, zo schreef ze, dan zich te verdiepen in een terugblik op beider werkzaam leven.

Prins Mauritslaan 50 (links). Hier begon  Marie van Eijsden-Vink in 1933 haar toneelherinneringen op schrift te stellen en overleed op 1 september 1934 haar man, Peter Diederich (“Dieck”) van Eijsden. Foto uit 2014 van Willem Vermeij (HGA)

Als geboren Haagse begon dat werkzame leven wat haar betreft al op 15-jarige leeftijd in 1879 in het Amsterdamse toneelgezelschap van haar neef Louis Moor. Deze is feitelijk haar coach geweest, want het acteren leerde Marietje bij hem op de planken. Misschien daarom dat haar spel steeds opviel door frisheid, pit en geest, naar een bewonderaar eens opmerkte. Het kan ook zijn dat zij haar talenten in de genen had zitten. Twee zusters van haar vader, de tantes Elisabeth en Louisa, waren in elk geval eveneens aan het toneel. De eerste was de moeder van Louis Moor, wiens (biologische) vader tevens de veel beroemdere Louis Bouwmeester verwekte. In 1880 kreeg Marietje haar kans op zich te bewijzen in haar eerste grote rol: die van het blinde weeskind Louise in de populaire toneeldraak uit die tijd, De Twee Weezen. Haar grote doorbraak naar de bekendheid bij een breder publiek vond echter plaats in oktober 1894 te Rotterdam, waar zij ruim tien jaar eerder een verbintenis was aangegaan bij het gezelschap van Willem van Zuylen. Op het programma stond een uitvoering van het stuk Madame Sans-Gêne met in de hoofdrol Catharina Beersmans. Deze alom bewonderde actrice, die toen 50 was, kreeg tijdens het laatste bedrijf een beroerte en zakte op het toneel in elkaar. Marie van Eijsden-Vink – de naam die zij sinds haar huwelijk met mede-acteur Dieck van Eijsden in 1891 voerde – slaagde erin nog diezelfde nacht zich tekst en mimiek eigen te maken, zodat zij de rol de volgende avond kon overnemen. Ze schreef er later over: “Ik moest me zelf moed inpompen voor het groote gebeuren!” Maar het werd een eclatant succes en leverde avond na avond uitverkochte zaken op. Madame Sans-Gêne werd een der drie rollen, waar Marie van Eijsden-Vink later altijd mee werd geassocieerd. Catharina Beersmans is nooit meer volkomen hersteld en overleed in 1899.

1894 – In de titelrol van Madame Sans-Gêne (foto SAR)

Met hemzelf als directeur richtte Dieck van Eijsden in de zomer van 1900 een nieuw Rotterdams toneelgezelschap op. Uiteraard maakte zijn vrouw daar ook deel van uit, een situatie die bij de rest van de groep tot argwaan en achterdocht leidde. “Ach, wat waren [ze] bang dat m’n man en ik alle mooie rollen voor ons alleen zouden houden,” herinnerde Marie van Eijsden-Vink zich vele jaren later. Hoe dan ook, in 1902 schitterde zij in de rol van kelnerin Käthie, die het hart van een Duitse erfprins weet te winnen. “[Zij kon daarin] nog eens geheel zijn wat zij zoo menigmaal is geweest, het vroolijke, lieve, onbezorgde meisje met een hart van goud,” schreef een recensent in die dagen. Ook deze rol zou voor het publiek onverbrekelijk met haar naam verbonden blijven, evenals die van de keizerin in het stuk Maria Theresia. Daarmee vierde zij in 1904 haar 25-jarig toneeljubileum met opvoeringen in het gehele land. Het werd “een ware triomphtocht,” zoals zij later opmerkte. In de Koninklijke Schouwburg te Den Haag werd zij na de derde akte bedolven onder een bloemenregen, wat zij “een bijzonder geweldige gewaarwording” noemde. Meer prozaïsch noteert Het Vaderland, dat dit huldebetoon de actrice spontaan een kreet ontlokte. Thérèse Schwartze schilderde in die dagen haar portret in de rol van Maria Theresia. Door Marie van Eijsden-Vink nadien in bruikleen gegeven aan de Grote Schouwburg te Rotterdam hing het daar jarenlang in de foyer. Het ging in mei 1940 verloren, toen deze schouwburg aan de Aert van Nesstraat als gevolg van het Duitse bombardement afbrandde.

1904 – In de titelrol van Maria Theresia (foto SAR)

“Het Zondagskind van het Nederlands toneel” is Marie van Eijsden-Vink indertijd vaak genoemd, daarbij doelend op haar glanzende carrière. In de 45 jaar dat zij aan het toneel verbonden is geweest, moet zij in bijna 300 producties te zien zijn geweest. Zo schrijft zij over de tijd na haar zilveren jubileum: “De bioscoop begon z’n concurrentie duchtig te laten voelen en er moest heel hard gewerkt worden om aan die concurrentie het hoofd te bieden. In dat harde werken had ik ruimschoots mijn deel, want groote of kleine rollen, ik was bijna in elk stuk verdeeld.” De keuze om Louis Chrispijns bewerking Mama Sans-Gêne voor haar 40-jarig toneeljubileum op de planken te brengen, schijnt echter geen gelukkige te zijn geweest. In een recensie van 26 maart 1919 schreef De Telegraaf althans: “Wie ’t stuk ziet, ondergaat dezelfde emotie, die een 60-jarige moet ondervinden, die in een rimpelige bedaagde dame z’n eerste jeugdliefde herkent. Uiterlijk zien we de  ‘madame Sans-Gêne’, die ons zoo lief is. Doch als mama is zij een zwaar-op-de-handsche dame geworden, die slechts nu en dan den jeugdtoon van het pittige waschmeisje terugvindt.” Prettiger dan die kritiek zal voor de jubilaresse de invitatie op geschept papier zijn geweest om bij koningin Wilhelmina op Huis ten Bosch op theevisite te komen. Een verzoek dat een ongebruikelijke plankenkoorts veroorzaakte, maar haar zenuwen werden al snel gekalmeerd door het “eenvoudig en minzaam optreden” van Hare Majesteit. Zodat het – in de woorden van de actrice – “allergezelligst” werd.

1919 – In de titelrol van Mama Sans-Gêne met Frits Tartaud als Napoleon (foto uit: Het Tooneel nr. 12, 1919)

In september 1923 trad Dieck van Eijsden terug als directeur van het toneelgezelschap, een functie die hij sinds enkele jaren samen met Cor van der Lugt Melsert en Frits Tartaud vervulde. Zijn vrouw vond het niet gepast om aan het werk te blijven, terwijl hij rustig thuis zat en nam daarom niet lang erna ook zelf afscheid van het theater. Die gang viel haar zwaar, mede door alle huldebetoon dat hieraan gekoppeld werd. De titel van haar laatste stuk, Wat het zwaarste weegt, zal dus wel een doordachte keus zijn geweest. Eduard Veterman, een geboren Hagenaar en sinds 1921 als regieassistent aan het Rotterdamse gezelschap verbonden, leerde Marie van Eijsden-Vink in die laatste toneeljaren goed kennen. Aan haar loopbaan op de planken wijdde hij in 1924 een boekje, waarin hij volgens De Avondpost “veel lezenswaardigs uit het leven dezer bizondere vrouw bijeen bracht.” In elk geval bevat het de constatering: “Ze doet je denken aan van die typiesche Haagsche dames der beau monde, met al de daartoe vereischte savoir vivre, charme en grandeur.” Die uitstraling was mooi meegenomen, want in februari 1925 vestigden zij en haar man zich in het chique Statenkwartier. Na eerst een maand of vier in pension te zijn geweest bij de weduwe Kip en haar dochters op de Willem de Zwijgerlaan 32, verhuisden zij naar de Adriaan Pauwstraat 3. “Een prettig bovenhuis in een fraaie omgeving,” aldus Marie van Eijsden-Vink. Zij woonden er tot 1930 en daarna nog drie jaar op het Prins Mauritsplein 1B, alvorens hun intrek te nemen op de Prins Mauritslaan 50. 

Persoonlijke dankbetuiging uit 1924 (HGA)

Na de dood van haar man woonde zij in 1937 nog een jaar op de Frederik Hendriklaan 118, alvorens haar laatste woning in de wijk te betrekken: Van Aerssenstraat 117. De evacuatie van 1942/43 dwong ook haar echter het huis uit. Zodoende kwam zij uiteindelijk terecht in een pension op de Laan van Meerdervoort 347. Marie van Eijsden-Vink overleed daar na een lang ziekbed daags voor kerst 1953. Op weg naar de crematie te Westerveld bij Velsen hield de rouwstoet voor korte tijd stil voor de Koninklijke Schouwburg, waar de vlag halfstok uithing. Hier werd door acteur Paul Steenbergen een krans van witte bloemen aan de rouwwagen gehecht. En met dit eerbetoon werd de levenscirkel van de actrice symbolisch voltooid. Want ruim 80 jaar eerder was zij als 7-jarig meisje in diezelfde schouwburg dusdanig gegrepen door de kindervoorstelling De Gelaarsde Kat, dat zij sindsdien tot ergernis van haar vriendinnetjes “altoos komedie wilde spelen”.

Laatste groet bij de Koninklijke Schouwburg. Foto uit Het Binnenhof van 29 december 1953

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.