Statenkwartier van toen: De bouwstenen van Jo Boer
door Karel Wagemans
In 1947 werd te Den Haag de Jan Campert-Stichting opgericht, vernoemd naar de in kamp Neuengamme omgekomen journalist en letterkundige. De stichting heeft sindsdien vrijwel jaarlijks een (geld)prijs toegekend aan de schrijver van een uitzonderlijke roman. Als eerste voorzitter fungeerde F. Bordewijk, menigeen ongetwijfeld bekend als de auteur van Bint en Karakter. In januari 1949 reikte hij de toen nog zo genoemde Vijverbergprijs (die sinds 1979 Bordewijkprijs heet) uit aan Jo Boer voor haar roman Kruis of munt. Bordewijk roemde dit boek als “een groot en machtig werk [met] buitengewone kwaliteiten.” In het bijzonder zal hem de romanfiguur Bruno Waringa hebben aangesproken, die vele trekken gemeen heeft met de onbuigzame personages Bint en Dreverhaven uit zijn eigen zojuist genoemde boeken. Van Kruis of munt springt direct in het oog, dat daarin het nauwelijks nog beoefende genre van de familieroman gestalte krijgt. En meer in het bijzonder: dat der Haagse familieroman, zoals getoonzet door Louis Couperus. Want hoe verschillend van compositie ook als bijvoorbeeld De boeken der kleine zielen, het naturalistische race, milieu et temps vormt in Jo Boers roman eveneens het grondthema.
Nadat Kruis of munt in het voorjaar van 1949 van de persen was gerold – de meest recente herdruk dateert uit 2020 – beschreef De Maasbode uit Rotterdam het boek als een “beklemmend verhaal van neergang en haat”, waarin de leden van een familie worden meegesleept door de groeiende verwording van hun “hereditaire melancholie”. En dit alles als gevolg van een tussen neef en nicht gesloten huwelijk. Van de drie kinderen hieruit vervalt dochter Agaath tot de waanzin, pleegt zoon Charles zelfmoord en groeit hun zuster Aletta “in haar mateloos egoïsme” uit tot de kwelgeest van haar enig kind. En ook in dat kind, Jopie, zal de erfelijkheid zijn sluipend werk doen, confronteert haar uiteindelijk met de keus: kruis of munt – zelfmoord of krankzinnigheid. Haagse bladen, zoals Het Binnenhof, apprecieerden het vleugje Indië, dat de sfeer van eigen stad verried en geënt bleek op de specifieke couleur locale van het Statenkwartier. Want Jopie Landman, de opgroeiende hoofdpersoon in Kruis of munt, woont er net als ooit de schrijfster achtereenvolgens op Frederik Hendriklaan, Prins Mauritsplein en Prins Mauritslaan. Ook het Frankenslag krijgt bijzondere aandacht als de plek waar het meisje bij de tramhalte wilde viooltjes ontdekte. “Echte reukviooltjes, zoals Oom Charles die voor Oma kocht bij Mijnheer Wils” (pag. 147). Dat was Gerard Wils (1884-1961), lange tijd bloemist op de Frederik Hendriklaan 136, en “het beste adres voor uw bloemwerken” in de woorden van een advertentie van toen. Kruis of munt steunt op deze en andere jeugdherinneringen van Jo Boer en is daardoor in hoge mate autobiografisch getint, hoewel als zodanig niet steeds betrouwbaar. Alvorens dit verder te illustreren daarom eerst iets over die schrijfster.
Johanna Maria Boer (1907-1993) werd geboren op Java uit het kortstondige huwelijk van Isaäc Boer en Aletta Scheltema, dat in 1909 in echtscheiding eindigde. Haar grootvader van moederskant, Evert Scheltema, daarginds rijk geworden in de koffie, nam dochter en kleinkind hierna onder zijn hoede. In het voorjaar van 1910 verhuisde de familie naar Nederland om er op de Frederik Hendriklaan een huurwoning te betrekken: “eenvoudig, degelijk, maar op een keurige stand” (pag. 105). Grootvader Scheltema (in de roman draagt hij de naam Bruno Waringa) overleed in 1919, zijn vrouw Johanna – Jo Boers grootmoeder dus – in 1930. De relatie tussen moeder Aletta en dochter Jo was problematisch en die laatste zocht vanaf 1927 volledig haar eigen weg. Maar met een levenslange afkeer van alle Scheltema’s. Nog in 1991 deed ze die af als “echte nare mensen”. Haar creativiteit kwam in eerste instantie tot uiting via het penseel, pas later ging zij ook de pen ter hand nemen. In 1950 zou ze over dit artistiek dualisme in een interview met het damesweekblad Libelle opmerken, dat zij het leven enerzijds verschrikkelijk en anderzijds ook prachtig vond. “Maar dát kan ik moeilijk uiten in mijn boeken. Dat schilder ik beter…” Haar schildersoog deed de schrijfster niettemin als kind al beelden registreren, die zij later als bouwstenen voor Kruis of munt heeft benut. Zoals bijvoorbeeld de beschrijving van het achteruitzicht op de Frederik Hendriklaan 94, een bovenhuis. “Van achteren keek de familie op een begrint platje, waarop enkele mosterdplantjes hun gele sterretjes hadden uitgestrooid, die echter maar heel kort bleven. Het verdere uitzicht bestond uit min of meer verveloze balkons, zwarte kolenhokken, en dikke cyperse katten wier domein zij waren. [Verderop lag] een gebroken rotan stoel, die zijn vier poten als een gekrepeerd dier stijf ten hemel strekte” (pag. 105/117). In maart 1912 volgde een verhuizing naar het Prins Mauritsplein 6, waar zij zes jaar woonde alvorens Prins Mauritslaan 66 haar nieuwe adres werd. “Een huis, dat het grote voordeel bezat over een dubbele tuin te beschikken” (pag. 105).
Van de dropjes van de drogist, die beneden op de Frederik Hendriklaan 92 zijn winkel had, moest Jopie niet veel hebben. “[Hij] gaf het kind soms een bruinbleek ‘dropje uit de blikken trommel’, dat het kind aandachtig bekeek, maar nooit in haar mondje stopte” (pag. 105). Aan klandizie had deze naamloos gelaten ondernemer desondanks geen gebrek. Want Jacob van den Berg (1886-1962) – zoals hij heette – opende in de loop der tijd een reeks van filialen in de stad, die onder de naam van drogisterij De Ooievaar goede zaken deden. De namen van diverse van haar vroegere klasgenootjes van de openbare (lagere) school in de Van Hoornbeekstraat vloeien Jo Boer echter onverhuld uit de pen (pag. 126/150). “De jongens waren veel aardiger dan de meisjes. [En] Wimmetje Keeman was de aardigste van allemaal”; “Andreetje Eschauzier had een wandelstokje met een zilveren knop. Andreetje werd met een rijtuig van school gehaald. Een lakei hield het deurtje voor hem open, en zonder naar de andere kinderen om te kijken, die hun tong uitstaken, verdween Andreetje in het donker van het coupeetje.” En dan was er “Greetje Kroesen met haar bruine knoopschoentjes – de kinderknopen – en haar manteltje van haar.” Of Jootje Goekoop, wier vader verdronken was in de beek op hun landgoed, “altijd [in] een zwart fluwelen jurk met een witte kanten kraag – net als de kleine Lord – en ronde grijze ogen, die treurig en verwijtend in haar geel donker gezichtje stonden.” In de Haagse bevolkingsregisters van toen zijn ze allemaal moeiteloos terug te vinden: Willem Keeman (1907-1994) van de Van Beuningenstraat 30, André Eschauzier (1906-1987) van het Prins Mauritsplein 25, Margaretha Kroesen (1908-2002) van de Bentinckstraat 121 en Johanna Goekoop (1907-1985) van Zorgvliet aan de Scheveningseweg. Ook klasgenootje Klaartje, die “een vader had, die d’r vader niet was” (pag. 49), blijkt langs die weg vrij snel te identificeren als Clara van Schmid (1906-1991) van het Prins Mauritsplein 16.

Klassefoto openbare (lagere) school in de Van Hoornbeekstraat met links het hoofd der school: K. Goudswaard. Foto uit 1919. (HGA)
Zelfs het hoofd der school, “mijnheer Goudswaart met zijn gouden horlogeketting [en] zijn goedig vriendelijk gezicht”, en “de lieve juffrouw Bastet” (pag. 126/166), die zo mooi sprookjes kon vertellen, worden in Kruis of munt gewoon bij de eigen naam genoemd. Karel Goudswaard (1861-1935) – wiens achternaam aan het eind een d had, maar dat wist Jopie misschien niet – werd bij zijn afscheid in 1926 in Het Vaderland geprezen als “de altijd opgewekte hulpvaardige kinder- en menschenvriend [met] het alwakend oog.” Hij woonde, net als Jopie zelf, op “de stille Prins Mauritslaan, die deftig en roerloos zich zonde met haar hoge iepebomen” (pag. 137). Zijn huis op nr. 20 viel in de bezettingstijd onder de slopershamer. Juffrouw Louise Bastet (1887-1965) woonde net buiten de wijk, op nr. 472 in de Obrechtstraat. Niet ver dus van nr. 504 waar Jopie samen met haar moeder en grootouders op zondag de plichtmatige familievisite aflegde bij oom en tante Poes. Jopie vond de Obrechtstraat maar een “nare donkere straat met hoge huizen en zwarte vensters” (pag. 38) – in de oorlog is een flink stuk ervan verdwenen. Bij oom en tante Poes liep een grote witte kater rond en voor Jopie vormde de aanwezigheid van dat “spinnende vette beest” (pag. 40) het enige prettige aan het bezoek. Oom en tante dankten er dan ook hun bijnaam aan. Zo’n terloops detail geeft aan hoe verweven feitelijkheden en fictie in Kruis of munt zijn. Want Jo Boer was dol op katten en hield ze later zelf als huisdier. Als kind kreeg ze daar thuis van haar moeder de kans niet toe. Het relaas over het door de regen verzopen katje, dat ze mee naar huis nam maar direct weer buiten diende te zetten, vormt een der meest trieste passages in de roman.
Elke schrijver schept de eigen werkelijkheid en dat leidt noodzakelijkerwijs tot een zekere herordening en bijstelling van het gebruikte materiaal. Zo krijgt Jopies tante, de zuster van haar vader, in Kruis of munt als adres Valeriusstraat 47, terwijl die met haar man, de ritmeester, op de Jacob Gillesstraat 35 woonde. Een centrale rol in het huishouden op de Prins Mauritslaan speelt Mijntje Knibbe, de dikke Zeeuwse meid met de “gulle boerenlach” (pag. 190). Waarschijnlijk heeft Tannetje van Poelje, die van Walcheren kwam en van 1923 tot 1927 bij de familie diende, hiervoor model gestaan. Toen de dementerende grootmoeder Johanna stierf, was deze toeverlaat echter al een tijdje vertrokken om de opleiding tot verpleegster in Oud-Rozenburg te gaan volgen. In die inrichting zou Agaath volgens Kruis of munt al eind jaren 1890 door haar vader zijn opgeborgen, omdat zij “haar lichaam [had] verslingerd aan een inlander” (pag. 113). Uit de bevolkingsadministratie over de periode 1895-1913 blijkt echter, dat de opname pas eind 1910 werd gerealiseerd en Agaath in de maanden ervoor nog bij haar familie op de Frederik Hendriklaan verbleef. Via andere bronnen kan bovendien worden vastgesteld, dat er tussen Jopies grootouders beslist geen nauwe bloedverwantschap bestond. Het gevloekte huwelijk tussen volle neef en nicht blijkt een generatie eerder in de familie Scheltema te liggen: bij Jo Boers overgrootouders Karel en Aletta Scheltema, getrouwd in 1851 en kinderen van de broers Evert en Gajus. Die afstand verzwakt natuurlijk de in Kruis of munt beoogde impact. Om die reden zal dus wel voor de gepresenteerde constructie zijn gekozen. Vanaf 1929 verbleef Jo Boer voornamelijk buitenlands. Toen haar begin december 1948 de Vijverbergprijs werd toegekend, woonde zij zo’n 40 kilometer buiten Parijs op het Franse platteland. Zonder telefoon: dat maakte het leven een stuk rustiger en eenvoudiger, vond ze… Haar moeder bleef tot aan haar dood in 1977 in het Statenkwartier wonen en had hier als laatste adres Frederik Hendrikplein 16. Pas nadien, in 1986, keerde Jo Boer permanent in Nederland terug. Onderstaand portret van Bep Rietveld dateert uit die tijd.
Neerlandica Elly Kamp legt momenteel de laatste hand aan haar biografie over Jo Boer. Naar gepland zal publicatie ervan in 2027 plaatsvinden.








Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!