Statenkwartier van toen: Een huis vol gestolen artikelen

door Karel Wagemans

Op 26 september 1921 informeerde het Bataviaasch Nieuwsblad zijn lezers vol enthousiasme, dat de Haagse dievenvanger J.H. Smith onderweg was naar Indië. De vroegere inspecteur van de Centrale Recherche was namelijk kort daarvoor benoemd tot commissaris van Meester Cornelis [nu: Jatinegara] op Java. Na gerefereerd te hebben aan diens eerdere successen in de strijd tegen de misdaad, waaronder het in de kraag vatten van de daders van de geruchtmakende inbraak in augustus 1919 bij mevrouw Goekoop, de eigenaresse van Zorgvliet, ging de krant nader in op Smiths laatste wapenfeit, de arrestatie van een echtpaar uit een herenhuis in het Statenkwartier. Blijkens het bericht: “[Personen], die zich rustig en eenvoudig gedroegen, aan niemand in de buurt aanstoot gaven en … de geheele omgeving onveilig maakten. Hun huis zat zoo vol artikelen, die zij gestolen hadden, dat na de arrestatie, toen dit alles in een politiebureau tentoongesteld werd om den eigenaars gelegenheid te geven om hun eigendom te herkennen, er ruimte in het politiebureau te kort kwam.”

Inspecteur Johan Hendrik Smith (1891-1951) omstreeks 1920

Dat laatste is wellicht wat overdreven (zie de foto verderop van het bewuste bureau). Maar vaststaat dat tijdens de huiszoeking bij de verdachten – een Duits stel op de Van Boetzelaerlaan 292 – eind september 1920 diverse goederen werden aangetroffen, die als gestolen waren opgegeven door hun eigenaren elders in het Statenkwartier. Arrestatie van de twee volgde, dit ondanks beider verklaring er geen idee van te hebben op welke manier die spullen bij hen thuis terechtgekomen waren. Eerst maar iets meer over dit echtpaar. Hans Hembach uit Düsseldorf en Meta Lange uit Bremen trouwden hier in mei 1920. De bruidegom was toen 28, de bruid 24 jaar. Bij die gelegenheid erkende hij haar zoontje Heinz, dat zij in 1914 ongehuwd had gekregen, als het zijne. Die bijkomstigheid wordt slechts vermeld, omdat de biologische vader later nog een mistige rol zou gaan spelen. De Hembachs woonden aanvankelijk samen op de Van Boetzelaerlaan 306, maar verhuisden in juli 1920 naar het ruimere nummer 292. Als elektrotechnicus zou Hembach naar eigen zeggen goede zaken doen, hoewel zijn faillissement korte tijd later dat tegen lijkt te spreken. Uit het huwelijk werd in april 1921 nog een dochtertje geboren, maar toen zaten beide ouders al in hechtenis.

Van Boetzelaerlaan 292 (middelste deur), waar de Hembachs sinds juli 1920 woonden (foto HGA, 1986). Het is nu het adres van een uitvaartonderneming

De recherche was de Hembachs in feite al in januari 1919 op het spoor gekomen tijdens het onderzoek naar de inbraak bij H.H.M. Borregaard, de Deense consul, op het Frankenslag 32. Daar was toen in de tuin een onbekende zakdoek aangetroffen, waarvan aan de hand van het wasserijmerkje achterhaald kon worden, dat die aan Hembach moest toebehoren. Dit was door deze bij navraag indertijd ontkend, maar bij de latere huiszoeking aan de Van Boetzelaerlaan werden daar vijf identieke zakdoeken in de linnenkast aangetroffen. Een volgende aanwijzing werd verkregen tijdens het onderzoek naar de diefstal bij de familie Del Campo van de Willem de Zwijgerlaan 62, begin augustus 1920. Aldaar gestolen zilverwerk dook op bij de Bank van Lening in Delft en was er gebracht door een dame wier opgegeven naam later vals bleek te zijn. Bij de Rotterdamse Bank van Lening was diezelfde dame evenmin een onbekende. De aldaar door haar beleende spullen zaten nog in een als verpakking gebruikt kartonnen doosje, afkomstig uit een winkel in de Burgemeester Van der Werffstraat in het Geuzenkwartier en vlak achter het huis van de Hembachs. Van de winkelier in kwestie verkregen inlichtingen wezen erop dat zijn klant mevrouw Hembach was geweest. En zo kwam de recherche opnieuw bij het echtpaar uit. Omdat zij zich allebei niet bepaald coöperatief opstelden, nam het verdere onderzoek nog geruime tijd in beslag. In Duitsland werd nagegaan of zij zich daar wellicht (ook) aan strafbare feiten schuldig hadden gemaakt. Dat bleek wat Hans Hembach betrof inderdaad het geval. Hij was er reeds meerdere malen veroordeeld wegens diefstal. Hijzelf had verklaard nog nooit eerder met de justitie in aanraking te zijn geweest.

Hans Hembach na zijn veroordeling. Uit de collectie ‘Gevangen in Glas’ van het Nationaal Gevangenismuseum te Veenhuizen.

Hoewel de schattingen in de kranten varieerden van 50 tot 15 konden de Hembachs bewijsmatig uiteindelijk slechts 4 inbraken in het Statenkwartier ten laste worden gelegd. Die kwamen tijdens de rechtszittingen eind mei 1921 uitgebreid aan de orde. Bij consul Borregaard aan het Frankenslag was eind december 1918 zilverwerk buitgemaakt en bij het echtpaar Van der Meer van de Stadhouderslaan [nu: Eisenhowerlaan] 118 half maart 1920 onder meer een kinderfiets, een elektrische lantaarn en een koperen bord. Bij de Del Campo’s van de Willem de Zwijgerlaan eveneens zilverwerk, ook een fiets – kennelijk werden die door Duitsers al ruim vóór de oorlog naar waarde geschat – en tevens een aantal kledingstukken. Een bijzonderheid bij deze inbraak was, dat er blijkbaar gebruik was gemaakt van een loper om de toegangsdeur tot de brandgang bij het huis te openen. Die loper werd bij de huiszoeking op de Van Boetzelaerlaan in een der broekzakken van Hembach teruggevonden. De laatste diefstal was de meest recente en werd gepleegd eind augustus 1920 bij het echtpaar Salm van de Statenlaan 136. Daar leek het parool te zijn geweest: graaien, wat er te graaien valt. Meegenomen werden een antiek klokje, een Perzisch tapijt, 9 kleedjes, een kussen, een ivoren doos, een zilveren snuifdoos alsmede ander zilverwerk en dan nog borden en vazen. Voor zover niet beleend, werden de meeste van al die hiervoor genoemde zaken begin oktober 1920 bij de Hembachs thuis in beslag genomen. Tijdens de kijkdagen op het bureau Duinstraat hadden de onderscheidene eigenaren die vervolgens als de hunne aangeduid.

Politiebureau Duinstraat. Ansicht uit 1920 (HGA)

Bij het eind mei 1921 tegen hen gevoerde proces trad mr. P.F.M. Bauduin op als openbaar aanklager en mr. J.H. Rolandus Hagedoorn als advocaat voor de Hembachs. Zijn verweer was deels gebaseerd op hun beider bewering, dat zij in de luren waren gelegd door de biologische vader van zoontje Heinz. Die persoon, een zekere Könnecke, zou de diefstallen hebben uitgevoerd en de Hembachs naderhand tot heling hebben aangezet. De recherche had die verklaringen niet serieus onderzocht, althans deze man niet hebben weten te traceren. Bovendien achtte mr. Rolandus Hagedoorn de door inspecteur Smith en zijn rechercheurs M.W. Hardorff, L. Siebring en G.J. Dissevelt opgebouwde bewijslast niet doorslaggevend. Dat zoveel gestolen goederen bij hen thuis waren gevonden, leek hem het beste bewijs voor hun onschuld. Anders was alles daar toch niet zo open en bloot voorhanden geweest? De advocaat vroeg dan ook aan het slot van zijn pleidooi om vrijspraak van de beklaagden. Mr. Bauduin daarentegen twijfelde geen moment aan de schuld van de Hembachs. Het was hem veeleer een raadsel hoe dit echtpaar al die tijd zo brutaal te werk had kunnen gaan zonder op heterdaad betrapt te worden. Sprekend over Hans Hembach merkte hij op: “Wij hebben hier te doen met een professioneelen misdadiger, wiens houding bovendien zeer onsympathiek is. Hij tracht de schuld op de schouders van zijn vrouw te schuiven. Hij heeft zelfs gezegd dat hij van haar wil scheiden, omdat zij hem in deze positie heeft gebracht.” De uitspraak volgde op 2 juni 1921. Hans Hembach kreeg 5 jaar en 4 maanden voor inbraak met diefstal, zijn vrouw Meta 3 jaar voor heling met aftrek van 6 maanden preventieve hechtenis. Haar zoontje werd naar Duitse verwanten gestuurd en zijzelf kwam met haar babydochter terecht in de Rotterdamse strafgevangenis aan de Noordsingel om daarna, in juli 1923, over de grens te worden gezet. Hans Hembach zat vanaf 1922 in de bijzondere strafgevangenis te Leeuwarden en is van daaruit in maart 1924 naar het Rijks Krankzinnigen Gesticht bij Eindhoven overgebracht. Verdere gegevens ontbreken.

Officier van Justitie mr. P.M.F. Bauduin, foto uit 1927 (HGA). Hij woonde na het proces zelf ook enige tijd in het Statenkwartier, op de Statenlaan 133 – vrijwel recht tegenover de Salms van nr. 136

In Indië maakte de vroegere inspecteur Smith een succesvolle start in Meester Cornelis, waar hij volgens een bericht uit die dagen al begin 1922 “volledige klaarheid [wist] te brengen in een zeer mysterieuze moordzaak.” Het jaar daarop werd hij docent aan de Politieschool in Soekaboemi. Vanaf 1934 was hij vervolgens adjunct-hoofdcommissaris te Semarang. Samen met P. Dekker publiceerde hij in die tijd het Handboek voor Politie-ambtenaren, dat als een standaardwerk geldt. Tijdens de Japanse bezetting ontkwam Smith niet aan internering in diverse kampen. In 1946 repatrieerde hij naar Nederland, waar hij te Zutphen overleed.