Statenkwartier van toen: In de Fred met “Harm” de Landell
door Karel Wagemans
Alweer een tijdje terug kreeg ik het verzoek om eens wat te vertellen over het huis met de toren aan de Frederik Hendriklaan uit de porseleinboom-trilogie van Olaf J. de Landell. Dat doe ik verderop, maar allereerst iets over die schrijver en zijn relatie tot onze wijk.
Diens werkelijke naam was Jan Bernard Wemmerslager van Sparwoude. Hij werd in 1911 op Java geboren als tweede zoon uit het zes jaar eerder te Amsterdam gesloten huwelijk tussen Antje Jaarsma en de arts Cornelis Wemmerslager van Sparwoude. Zij was de dochter van een rijke haardenfabrikant, hij de zoon van een inmiddels gepensioneerde hoofdonderwijzer. Die laatste had in 1895 van de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië verlof gekregen die dubbele naam te gaan voeren. Voorheen was het simpelweg Wemmerslager. De toevoeging Van Sparwoude verwijst naar een (zeer verre) verwantschap met een schatrijke Delftse dame uit de 16e eeuw. Misschien als tegenwicht voor het feit dat de in Den Haag geboren vader van de hoofonderwijzer daar omstreeks 1830 op de bedeling was aangewezen. In de ogen van De Landells moeder waren de Wemmerslagers van Sparwoude niets dan bleke opsnijders en blaaskaken. Maar haar visie werd grotendeels ingekleurd door de schipbreuk waarin haar huwelijk met een lid van die clan was geëindigd. Nadat de echtscheiding was uitgesproken, keerde zij in de herfst van 1919 met haar twee zoontjes op het stoomschip De Prins der Nederlanden terug naar hier. De toekomstige schrijver was toen net acht en heeft zijn vader nooit meer teruggezien. Geïnterneerd door de Japanners zou deze in oktober 1945, dus na de capitulatie, in een opvangkamp overlijden. Zijn jongste zoon zou hem later neerzetten als “een zeer knap ogend slank mannetje, modieus en vlot – een ijdeltuit en een vrouwenjager.”

Omslag laatste deel van De Landells trilogie: De porseleinen spiegel. Uitg. De Boekerij, Baarn (1976)
De impressies van de zeereis en de kennismaking met zijn moeders familie in Den Haag beschreef De Landell een kleine 60 jaar nadien in De porseleinen spiegel, het laatste deel van zijn romancyclus over het geslacht Tacoma. Die boeken noemde hij meteen al “sterk biografisch” en hij treedt er zelf in op als de jongste zoon van Santje Tacoma, onder de naam Harm Percijn Wellaert van Andenbeeck. De eerste twee delen, Het bloeien van de porselein-boom en De kroon van de porselein-boom, verschenen respectievelijk in 1974 en 1975. Deze magistrale familietrilogie – in de woorden van de uitgever – loopt van circa 1850 tot 1968, beslaat tegen de 1200 pagina’s en volgt nauwelijks verhuld de lotgevallen van de familie Jaarsma door de jaren heen. Alleen werd hun haardenfabricage vervangen door de productie van porseleinen artikelen. Het karwei had de auteur bijna de das omgedaan, zoals hij in een gesprek met journalist Fred Lammers van het dagblad Trouw in juli 1977 onthulde. Het schrijven had hem fysiek uitgeput en vanwege alle tijdens de arbeid opkomende herinneringen bovendien intriest gemaakt. Over het eerste deel kan nog worden opgemerkt, dat dit in feite een omwerking was van De Landells uit 1951 daterende novelle De Porseleintafel, die in dat jaar tot boekenweekgeschenk werd gekozen. Er was een geldprijs van tweeduizend gulden aan de uitverkiezing verbonden en die is door de schrijver deels benut om een dure japon voor zijn moeder te kopen. Want zijn band met haar was zeer hecht. Uit haar koker stamt trouwens de door hem gebruikte nom de plume.

Olaf J. de Landell, foto uit het Algemeen Handelsblad d.d. 2 mei 1951. De J voegde hij toe, omdat hij zijn alias niet uit 13 letters wilde laten bestaan
Moeder Antje Jaarsma († 1953) wordt in haar zoons trilogie Santje Tacoma genoemd en aan de lezer gepresenteerd als dochter van Tjomme Tacoma en Harmke Wolta. Die twee Friezen heetten in werkelijkheid Everhardus Jaarsma en Jantje Botenga. Ze vestigden zich in 1914 vanuit Hilversum in Den Haag, waar zij in 1916 hun intrek namen op de Frederik Hendriklaan 37, hoek Paulus Buijsstraat: het huis met de toren. Antjes vader overleed reeds een jaar later op dit adres, maar haar moeder heeft er nog gewoond tot aan haar eigen dood in 1931. Het was dan ook bij deze dat de gescheiden dochter met haar twee zoontjes, eenmaal terug in Nederland, in eerste instantie een onderkomen vond. De porseleinen spiegel beschrijft dat moment op de pagina’s 16-17 en wordt hier iets ingekort weergegeven. “De taxi in Den Haag later, reed langs het prachtige Vredespaleis de Scheveningseweg op, en zwiepte linksaf een brede straat in. ‘Nu kun je het huis dadelijk zien,’ zei tante. Santje luisterde met een matte glimlach naar het gekwetter van haar zoons: zij hadden een kiekje van het huis gezien, dat Oma had gestuurd naar Bandoeng. Ze zouden het beslist – ‘Dáár! Oma’s huis!’ jubelde Harm.” En eenmaal binnen: “Harm zou deze ontmoeting zijn leven lang niet vergeten: zij stonden in de ruime opening van een grote porte brisée tussen twee vertrekken. Om hem heen was een onmiskenbare weelde van fluwelen stoelen, gebloemd behangsel, deftig Chinees porselein en schilderijen. […] ‘De jongens hebben de grote kamer op de tweede verdieping, met het torenkamertje erbij,’ zei Oma Harmke.”

In dit huiskamerinterieur van het Prins Mauritsplein 10 is de toentertijd populaire vulhaard van Jaarsma te zien. Foto uit 1912 (HGA)
Behalve dat torenkamertje kende oma’s huis nog een ander bijzonder plekje. “Harm, naar een gerieflijke WC gestuurd voor handen-wassen, ontdekte dat dit vertrek rondom was bekleed met blauwe tegels, die allemaal verschillende plaatjes bevatten! Konijnen die koolbladen knabbelden, een mannetje met een kruiwagen, vrouwen die boodschappen deden, een hondje dat een poot gaf, een paar kinderen die touwtje sprongen. Hij vergat zijn handen te drogen en werd een kwartier later opgetogen uit de eenzaamheid weggeroepen voor een kopje thee… ” (pag. 17-18). Recente foto’s op de site van Funda laten zien dat dit tegelwerk op nr. 37 nog grotendeels intact is. Alleen qua afbeeldingen iets minder gevarieerd dan De Landell beschrijft, maar dat is wellicht een manco veroorzaakt door de roze bril der herinnering. De thee werd geserveerd door Daatje, “een vrolijk Schevenings dienstmeisje” (pag. 17). Het bevolkingsregister van toen wijst uit dat dit Ida de Jager (1894-1960) moet zijn geweest, pas een maand of twee eerder aangenomen. In oktober 1925 vertrok zij naar Zeist om als leerling-verpleegster te gaan werken in de Willem Arntszhoeve bij Den Dolder, een indertijd zeer bekende psychiatrische inrichting. Anders dan De Landell op pagina 159 schrijft, was zij in 1931 dus niet meer in dienst bij de familie. Een speciaal meubelstuk in het huis van zijn oma was voor Harm “dat pronkstuk van vakmanschap: palmhout met ebbehout en koper – een echt Moors schaaktafeltje” (pag. 18). Zijn grootmoeder bracht hem daarop al de volgende dag de beginselen van het schaken bij en hij was opgetogen toen datzelfde tafeltje via een omweg zo’n 45 jaar later in zijn bezit kwam (pag. 409).

Rudolph Valentino als Monsieur Beaucaire, een film uit 1924, die De Landell een jaar later in een Hilversumse bioscoop zag en waarvan hij helemaal “betoverd” thuiskwam (pag. 69)
In de kring van zijn moeders familie werd Harm van meet af aan als een vreemde eend in de bijt beschouwd. Met name zijn wens om filmacteur te worden – Rudolph Valentino was zijn grote idool – stuitte op verbazing, weerstand en hilariteit. Alleen zijn oma vond het een heerlijk idee, noemde hem “een originele jongen” (pag. 77). Het roerde hem zeer toen zijn moeder jaren na hun verhuizing naar Hilversum in november 1919 tijdens een bezoek aan oma in Den Haag bij “een intens deftige boekhandel” op de Frederik Hendriklaan met de nodige gêne “zes prachtige filmkaarten” van de filmster voor hem had gekocht. Een passage die doet denken aan Eline Vere, waarin de titelpersoon van die roman blozend een stel portretfoto’s van de operazanger Fabrice koopt. Voor Harm waren de kaarten, die hij “verzaligd op een rij [zette] een succes-cadeau” (pag. 105). Ze zullen door zijn moeder wel verkregen zijn in boekwinkel Luijten, die zich toen op nr. 127 bevond; tegenwoordig zit daar een Italiaans restaurant. De laatste keer dat Harm het huis van zijn oma bezocht, was kort na haar dood in augustus 1931: “Oma’s stoel stond treurend leeg” (pag. 159). Harms tante Jantientje, die het huis samen met haar ouders in 1916 als ongehuwde dochter had betrokken, bleef er niet wonen. Ze leed teveel onder het drukke verkeer op straat (pag. 156) en verhuisde aan het eind van het jaar naar elders. In werkelijkheid heette zij Johanna Jaarsma en genoot als schilderes een zekere bekendheid. In 1979 werd De porseleinen spiegel door Jos Brink bewerkt tot hoorspel in 12 delen. Met hemzelf in de rol van Harm werd het in de laatste maanden van dat jaar door de AVRO uitgezonden onder de titel Bloesems van vuur. Georgette Hagedoorn vertolkte hierin de rol van Harms oma.

Georgette Hagedoorn (1910-1995), die vanaf 1987 aan het Stadhoudersplantsoen 188 woonde. (Foto: Nationaal Archief)
De Landell overleed in april 1989 te Hilversum. Twaalf jaar eerder had hij zich tegenover Fred Lammers van Trouw laten ontvallen: “Ik heb veel gemist in al die jaren tot mijn 42e, dat ik [hier] met mijn moeder samenwoonde. Zij werd invalide en wilde dat ik altijd om haar heen was. Als ik zondags een uurtje op de fiets wilde stappen zei ze: ‘Jan, je laat me toch niet alleen?’ Dan bleef ik maar weer thuis.”
Als een groot schrijver is De Landell de boeken niet ingegaan. Maar over zijn porseleinboom-trilogie oordeelde toenmalig columniste van de Volkskrant Sylvia Witteman in 2019: “Nog fijner dan ik had durven hopen. Ik heb nu twee delen uit en ik ben verpletterd.” Het laatste deel heeft zij dus vast niet laten liggen.





Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!