Statenkwartier van toen: Satansgebroed op het Frankenslag

door Karel Wagemans

Met Werelddierendag in het vooruitzicht is het misschien geen ongeschikt moment om hier eens een stukje animale historie uit het Statenkwartier op te halen. In een vorige bijdrage werd al even naar voren gebracht, dat de toenmalige bewoners hun hond er kennelijk op trainden om tijdens het uitlaten net om de hoek van de eigen straat de lading te lossen. Van een opruimplicht was indertijd nog geen sprake. Die werd in onze stad pas 20 jaar terug, in 2006, per APV geregeld. Een andere ergernis kon (en kan) het aanhoudend geblaf vormen, dat de nachtrust verstoort. Mevrouw Eleonore van den Broek d’Obrenan-Pietermaat, eigenaresse van de kennel Victoria aan het Frankenslag 149, kwam hiervoor op 3 mei 1930 voor de kantonrechter te staan.

Eerste huis links: Frankenslag 149. Voor bewoning opgeleverd in 1912, bevond zich daar tot 1932 kennel Victoria. Foto uit 1985 (HGA)

In kringen van hondenfokkers had deze 71-jarige weduwe zich sinds jaren een reputatie opgebouwd met de deelname van haar boxers aan nationale en internationale tentoonstellingen. Zij sleepte er in de loop der jaren vele prijzen mee in de wacht. Mevrouw Van den Broek d’Obrenan raakte in de ban van dit hondenras, toen zij zich in 1910 als huisdier de boxer Ali Baba aanschafte. Eén van de door zijn vrouwtje geroemde eigenschappen – de toekomst tekent zich reeds af! – was diens waakzaamheid. Zij raakte dermate gecharmeerd van het dier, dat zij besloot zelf dat soort honden te gaan fokken. Geld was in dit opzicht geen probleem, want dat vloeide ruimschoots binnen via de suikerrietfabrieken van de familie op Java. Ali Baba was afkomstig uit de kennel Phylax van fokster Klasina van Tienhoven (1873-1954), die van 1910 tot 1918 als adres Frankenslag 122 had. Mevrouw Van den Broek d’Obrenans eigen kennel Victoria ging aanvankelijk van start op de Groot Hertoginnelaan 65, waar zij op dat moment woonde. Hondenfokkers hadden het niet gemakkelijk verzuchtte een scribent van het tijdschrift De Nederlandsche Jager in die dagen. Moest niet onlangs de bekende Duitse fokker Otto Roth uit Mannheim als gevolg van de “vriendelijkheid” van zijn buren zijn kennel drastisch inperken? Het kan zijn dat dit probleem zich ook voordeed op de Groot Hertoginnelaan. Want eind 1912 nam mevrouw Van den Broek d’Obrenan met haar boxers en vergezeld van dochter Victorine de intrek op het Frankenslag 149. 

De kennelhoudster met Wotan (rechts), vader van Satan. Foto uit: De Nederlandsche Jager – voor jagers en hondenliefhebbers, 10 juli 1915 (no. 2). Links een der zusjes De Haas

Opmerkelijk zijn in die tijd haar banden met de Friese familie De Haas. Want op het nieuwe adres werkten de zusters Wijbrigje, Antje en Catharina de Haas gelijktijdig als dienstmeisje tot hun gezamenlijk vertrek in november 1916. Kortstondiger was de aanwezigheid in huis van hun broer Harmen, die er in 1913 als kennelknecht was aangetreden. De mobilisatie van 1914 maakte aan diens activiteiten een einde. Tot dan droeg hij echter zorg voor mevrouw Van den Broek d’Obrenans grote trots: Satan. Die kampioen had met ouders van dezelfde vader weliswaar scheef moeten staan van de inteelt, maar dankte er daarentegen juist “zijn heerlijken bouw en ideaal front” aan. Het maakte hem tot een boxer “in wien het bij dat ras zo moeilijke probleem, adel met substantie te vereenigen, op volmaakte wijze is opgelost,” schreef een bewonderende kynoloog in een terugblik in De Nederlandsche Jager nadat dit prijsdier in 1922 plotseling aan een beroerte was gestorven. Volgens hem had Satan als “vaderhond” daarnaast zijn “prima afstamming en schitterende individueele qualiteiten” niet verloochend. Gezien de door zijn nazaten gedragen namen als  Robert le Diable en Satanillo waren dit geduchte jongens. Dat zij door sommige buren vervloekt werden als satansgebroed mag wel als zeker worden aangenomen. De achterburen uit de Van Aerssenstraat 136 bijvoorbeeld, die steen en been klaagden over al dat geblaf. 

 

Satan van het Frankenslag. Foto uit: Buiten; geïllustreerd weekblad aan het buitenleven gewijd, 11 augustus 1934 (no. 32)

Martina de Haas (1880-1963) – geen verwante van de voorgaanden – had daar sinds 1923 een pension dat onderdak bood aan verschillende kamerbewoners. Onder hen bevond zich reeds langere tijd de in 1929 tot Nederlander genaturaliseerde Duitser Richard Kanitz (1880-1959), van beroep haringhandelaar. De pensionhoudster verklaarde op de zitting bij de kantonrechter al jaren continu last te hebben van het blaffen der boxers uit de kennel. Zij hoefde overdag buiten maar een stofdoek uit te slaan of het spektakel brandde los. Daarom vertrok de ene kamerhuurder na de andere al snel naar elders. Zij had inmiddels besloten dat voorbeeld te volgen en ging eerdaags verhuizen naar de Zeeweg 16. De haringhandelaar werd gevraagd of hij zich over de telefoon wel eens dreigend tegenover de kennelhoudster had uitgelaten. Dit ontkende hij, maar ja hij was officier geweest in het Duitse leger en dan sloeg je als vanzelf een bepaalde toon aan. Wat hij daarmee bedoelde, illustreerde hij treffend met een bulderende reactie op een nadere vraag, die hem niet zinde. De verzorger van de honden gaf vervolgens te kennen dat geblaf van de boxers overdag direct de kop werd ingedrukt met een stokslag of een pets water. ’s Nachts verbleef er slechts een enkele oude boxer buiten, die hoogstens een zacht woe-woefje kon laten horen. De rest van de dieren verbleef dan bij de kennelhoudster op de slaapkamer – en zij had nergens hinder van. Tot slot kwam een buurman van het Frankenslag 151, zelf hondenbezitter, nog meedelen dat hij van geen herrie wist en zijn nachtrust daar al vijftien jaar ongestoord verliep.

Kennelknecht gezocht: advertentie uit het Dagblad van Zuid-Holland en ‘s-Gravenhage, d.d. 13 maart 1922

De uitspraak van de kantonrechter volgde een week later. Mevrouw Van den Broek d’Obrenan kreeg een boete opgelegd van 10 gulden (zo’n 250 euro nu). Dat kwam in de praktijk neer op een gulden per hond. Hoewel zij meteen aankondigde tegen die uitspraak in beroep te gaan, is het daar toch niet van gekomen. Waarschijnlijk hebben haar zoon Francis en dochter Victorine enige zachte drang op moeder uitgeoefend om het hier nu maar bij te laten. De nogal lacherige berichtgeving in de kranten over de “boxer-affaire” zal ook in hun omgeving wel tot gnuivende reacties hebben geleid. De klagende achterburen uit de Van Aerssenstraat gingen trouwens toch verhuizen, dus waarom de zaak verder slepende houden? In Den Haag hadden de namen van zoon en dochter op grond van eigen verdienste trouwens geen onbekende klank. Zoon Francis, meestal Nono genoemd, was in zijn tijd een vermaard speler geweest van H.B.S. (Houdt Braef Stant), de Haagse voetbalclub die in 1904 en 1905 landskampioen werd. Sinds het behalen van zijn titel in 1918 was hij als scheikundig ingenieur werkzaam bij Calvé in Delft. Na zijn vroege dood in 1931 trok zijn vrouw met hun beide kinderen voorlopig in bij schoonzuster Victorine, die sinds november 1926 een eigen huishouding voerde op de Groenhovenstraat 26 in het Benoordenhout. 

Francis van den Broek d’Obrenan (1886-1931) staat als eerste links op deze foto uit 1904, het jaar waarin H.B.S. landskampioen werd

Misschien waren al die boxers op het Frankenslag ook Victorine in de loop der tijd wat te veel geworden. Op de hierna afgebeelde foto, waarop zij met een schoot vol boxerpups te zien is, toont zij althans niet bijster opgetogen. Aan haar dierenliefde als zodanig hoefde overigens niet te worden getwijfeld. Dat blijkt wel uit het feit dat zij tijdens het interbellum jarenlang deel uitmaakte van het bestuur van het Haagse dierenasiel (tegenwoordig het Haags Dierencentrum genoemd), ondertussen het oudste van dit soort in ons land en tot 1981 aan de Nieuwe Haven gevestigd. Langs die weg haalde ook Victorine de krant, toen in 1927 het 50-jarig bestaan van het asiel werd herdacht. Op een toen gemaakte foto van het bestuur staat zij als enige vrouw tussen erevoorzitter jonkheer Louis Quarles van Ufford en voorzitter jonkheer Hugo Repelaer van Driel. Dit keer wél met een lach… Met haar moeder zou zij pas in 1936 weer onder één dak komen te wonen, namelijk dat van haar zwager in de Javastraat 144. Op dit adres is de vroegere eigenares van kennel Victoria vier jaar later overleden. Haar activiteiten op dat vlak had zij in de loop van 1932 beëindigd om vervolgens Frankenslag 149 te verlaten. Het vormde voor Martina de Haas aanleiding om direct van de Zeeweg naar de Van Aerssenstraat terug te keren. Zij is nadien nog met haar bulderende kostganger in het huwelijk getreden en stierf als diens weduwe.

Victorine van den Broek d’Obrenan (1884-1959). Foto uit: De Nederlandsche Jager – voor jagers en hondenliefhebbers, 10 juli 1915 (no. 2)

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.