Statenkwartier van toen: Musicus met een onblusbaar geloof in de toekomst
door Karel Wagemans
Een dag na de dood van Max Vredenburg schreef Rutger Schoute in Het Parool, dat deze musicus “altijd iets bij zich gehouden [had] van de felheid die de jonge generatie van toen bezielde als er gedacht en gesproken werd over de talrijke mogelijkheden, die zich op muzikaal en technisch gebied uitspreidden.” Die tijd van verandering en vernieuwing op vele fronten was tekenend voor het interbellum, de periode 1918-1939. Vredenburg woonde een groot deel daarvan in de Antonie Heinsiusstraat, waar zijn ouders in mei 1917 op nr. 30 kwamen te wonen. Hij zou er vanaf 1935 – na het mislopen van zijn eerste huwelijk – bovendien nog enkele jaren onderdak vinden bij de weduwe De Gruijter-Mackenzie op nr. 10.

Antonie Heinsiusstraat 10 (het huis met de twee balkons), waar Max Vredenburg van 1935 tot 1938 als huurder stond ingeschreven. Foto uit 2013 van Willem Vermeij (HGA)
De familie Vredenburg was van joodse origine en zat in de handel. Tot 1903 bestond er te Zutphen de firma D. Vredenburg & Zonen, die zich vooral toelegde op de fabricage en verkoop van meubilair. In het begin van dat jaar kwam aan dit samenwerkingsverband een eind. Van de firmanten begon zoon Abraham een meubelzaak in Amsterdam, terwijl zoon Isaäk naar Brussel vertrok om zich daar te gaan richten op de verkoop van datgene wat benodigd is voor de aankleding van een huis. Aldus kwam Max Vredenburg op 16 januari 1904 in de Belgische hoofdstad ter wereld. Hij zou er met zijn ouders en grotere zusjes Rosy en Elsa tot aan de Duitse bezetting van augustus 1914 verblijven. Toen leek het raadzamer naar het neutrale Nederland terug te keren. Vele jaren later zou Max zich van die Brusselse tijd herinneren: “Ik ging daar naar een Franse school. In 1914 vluchtten mijn ouders naar Nederland, waar wij in Scheveningen [op de Stevinstraat 82] terecht kwamen. Ik sprak toen nog geen woord Nederlands, leerde het echter snel. Sinds mijn zesde jaar had ik wel pianoles gekregen, maar toen ik van de HBS kwam, mocht ik de muziek niet als vak kiezen.” Mogelijk speelde bij die beslissing een rol, dat zijn vader begin oktober 1919 overleed en Max dus financieel snel op eigen benen moest komen te staan. Een broodwinning in de muziek leek hiertoe weinig kans te bieden. Het werd daarom een baan als vertegenwoordiger van de fruitconserven uit de fabriek van oom Henri, de jongste broer van zijn vader. Dat zijn zus Elsa in die tijd wel naar het conservatorium kon gaan, zal voor Max moeilijk te verteren zijn geweest. Als begaafd violiste viel haar spel al in juni 1923 via de radio in vele huiskamers te horen.
Wellicht gaf die gebeurtenis moeder Vredenburg aanleiding om het verzet tegen de wensen van haar zoon te staken. In elk geval ging ook Max sindsdien naar het Haagse conservatorium, waar hij bij Henri Geraerdts theorie en compositie studeerde. Deze raadde hem in 1926 aan de overstap te maken naar het Conservatoire national supérieur de musique et de danse te Parijs. Dat het onderricht in het Frans werd gegeven, vormde gezien zijn Brusselse jeugdjaren voor Max geen struikelblok. De componist Paul Dukas werd daarginds zijn leermeester. En nog in datzelfde jaar werden hier in Diligentia voor het eerst door Vredenburg getoonzette liederen ten gehore gebracht door zangeres Lotti Sleurs (1897-1946), een wijkgenote uit de Van Slingelandstraat 161. Hij begeleidde haar bij die gelegenheid zelf op de piano en deed dat “uitstekend en intens-muzikaal” volgens Het Vaderland van 14 november 1926. Die krant loofde dit eerste optreden van de musicus naar buiten toe als “een opmerkelijke manifestatie van ontluikend, heel rijk talent.” In datzelfde Diligentia zou hij tien jaar later, zo wil het verhaal, met aardappelen zijn bekogeld tijdens het optreden van de satirische en antinazistische cabaretgroep Die Pfeffermühle van Erika Mann, dochter van de vermaarde Duitse schrijver Thomas Mann. Maatschappelijk geëngageerd als Max Vredenburg was, had hij zich begin maart 1936 als pianist aan dat gezelschap verbonden. In kranten uit die tijd zijn er over die aardappelen geen berichten te vinden. Wèl wordt gemeld, dat de zaal in Diligentia stampvol zat, er daverende ovaties weerklonken en het ene bloemstuk na het andere werd aangedragen.
Gedurende deze tien jaar tussen 1926 en 1936 hadden zich in zijn leven ingrijpende veranderingen voorgedaan. Naast een groeiend aantal activiteiten op muzikaal gebied, waarvan hier slechts wordt genoemd de oprichting van de Haagse studiekring voor moderne muziek in 1928, verwierf hij in die periode ook naam in het journalistieke vlak. Wat zijn persoonlijk leven betreft, veranderde zijn status van vrijgezel in die van echtgenoot toen hij in januari 1930 trouwde met de bibliothecaresse Caro van der Heijden (1904-1972). Dit bracht zijn verhuizing uit het Statenkwartier met zich mee, want het stel ging in de Vondelstraat wonen. Een gelukkige verbintenis werd het niet en begin 1935 gingen zij uit elkaar; kinderen waren er niet. Terugkeren naar het ouderlijk huis in de Antonie Heinsiusstraat was voor Max geen optie, omdat zijn moeder, Eva Vredenburg-Sanson, sinds 1932 in pension was op het Frankenslag 99, waar zij een zit- en slaapkamer huurde. Zij overleed daar in maart 1936. Niettemin kwam de verloren zoon toch weer in de Antonie Heinsiusstraat terecht, zij het als kamerhuurder op nr. 10. Zijn kennelijke gehechtheid aan de wijk valt misschien mede te verklaren uit de omstandigheid, dat ook zijn beide zusters er woonden. Zijn sinds 1934 gescheiden zuster Rosy in de Van Beverningkstraat en zijn zuster Elsa, de violiste, met man en twee jonge kinderen op de Prins Mauritslaan 116. Geen van hen zou de oorlog overleven: allen kwamen te Auschwitz om. Aan Rosy’s lot herinnert de Stolperstein bij de Van Beverningkstraat 120; het door Max Vredenburg in 1953 voor viool en piano gecomponeerde Lamento herinnert aan Elsa.

Lamento gecomponeerd ter nagedachtenis van zus Elsa. Wie het wil beluisteren, bezoeke de site: www.basiaconfuoco.com
Bij de Duitse inval in mei 1940 verbleef hij al een jaar of twee permanent in Parijs als correspondent van onder meer de NRC en Het Vaderland. Hij had er ook een dagelijkse rubriek op de Parijse radio over Nederlandse muziek en kunst. Via die weg kon hij in deze dagen zijn ontredderde landgenoten een hart onder de riem steken. Of in de weergave van Karel Mengelberg in het eerste nummer van het maandblad voor muziek Mens en Melodie uit 1949: “Gedurende het begin van de oorlog kon men hier, in het door den vijand bezette vaderland, vaak zijn bemoedigend woord via Radio Parijs horen.” In de Franse hoofdstad was Max Vredenburg inmiddels hertrouwd met Nelly Sluizer (1899-1974), die hij daar door zijn radiowerk had leren kennen. Toen de weerstand van het Franse leger tegen de Duitsers brak, vluchtte hij met haar eerst naar Nice – waar haar ouders woonden – alvorens gevieren de wijk te nemen naar het veiliger geachte Nederlands-Indië. Een verkeerde inschatting: want ze arriveerden er kort voor de Japanse invasie, die al spoedig hun internering in de kampen tot gevolg had. Pas in januari 1946 konden Max en Nelly met haar vader naar Nederland terugkeren. De laatste stierf kort erna, diens vrouw had de kamptijd niet overleefd. In Amsterdam betrokken de Vredenburgs de vroegere woning van oom Henri aan de Stadionweg. Ook deze bleek samen met tante Mathilde in Auschwitz te zijn omgebracht. Zoals Lex van Delden, de muziekrecensent van Het Parool, jaren later over Max Vredenburg schreef: “Er moet wel een onblusbaar geloof in de toekomst, een veerkrachtige levenswil huizen in deze zich berustend voordoende man…”
Die veerkracht toonde hij onder meer tijdens zijn intensieve muzikale bemoeienis bij de grootse viering van het gouden regeringsjubileum van koningin Wilhelmina in het Olympisch Stadion te Amsterdam in 1948. Niet lang hierna componeerde hij de muziek bij enkele (korte) films van Bert Haanstra. Daarvan werd Spiegel van Holland in 1951 op het festival van Cannes bekroond als de beste (korte) film. Overigens had hij al eerder voor het medium film gecomponeerd, namelijk bij Branding van cineast Joris Ivens, een speelfilm die begin 1929 in première ging maar sindsdien verloren is geraakt. Vredenburgs muziek zou vanaf 1947 ook langs andere weg de bioscoopbezoeker bereiken doordat die gebruikt werd bij diverse Polygoonproducties, waaronder het journaal. In 1953 werd Max Vredenburg benoemd tot directeur van de stichting Jeugd en Muziek, hetgeen hij tot zijn pensionering in 1969 is gebleven. Uit dien hoofde was hij in 1957 een der initiatiefnemers tot de oprichting van het Nationaal Jeugdorkest, een ensemble dat geheel bestond (en bestaat) uit jonge en talentvolle amateurmusici. Tijdens Vredenburgs afscheid op 12 april 1969 gaf dit orkest te zijner ere een gevarieerd concert ten gehore, waaronder ook enkele liedcomposities van hemzelf. Tussen de vele aanwezigen bevonden zich onder meer prinses Beatrix en prins Claus. Vredenburg ontving toen de versierselen behorend bij de ridderorde van Oranje-Nassau. Hij overleed op 9 augustus 1976 aan een hartaanval in het verzorgingshuis Theodotion te Laren.






Google
Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!