Statenkwartier van toen: Brieven uit de van Slingelandstraat
door Karel Wagemans
Sinds oktober 1909 verscheen onder meer in de Nieuwe Vlaardingsche Courant vrijwel wekelijks de rubriek Brieven uit de Hofstad. De schrijver daarvan noemde zich “Hagenaar”. Achter dat pseudoniem verborg zich de journalist Willem Nikolaas van der Hout. Geboren te Schiedam in 1883, woonde hij vanaf begin 1909 in Den Haag toen hij ging werken voor Het Vaderland. Hij trouwde hier in september 1912 met Adriana Elisabeth Gerardina van Riemsdijk (1885-1967). Samen werden zij de eerste bewoners van de Van Slingelandtstraat 70, een huis dat zij een kleine 30 jaar later vanwege de evacuatie moesten verlaten. Zijn activiteiten als schrijver van Brieven uit de Hofstad had Van der Hout begin 1942 al gestaakt. Voordien moet hij echter op genoemd adres honderden van die brieven hebben geconcipieerd. Daarin passeerden – beschouwd vanuit een zo veel mogelijk onpartijdig en onbevooroordeeld standpunt – alle voorname gebeurtenissen in onze residentie de revue, zoals hij het zelf uitdrukte. Het resulteerde in de woorden van een trouwe lezer uit 1919 in knusse en gezellige babbeltjes, die de schrijver ervan deden kennen als een persoon met een heldere en praktische kijk op het leven.

Een lunchbijeenkomst van de Nederlandsche Journalistenkring in 1916. Van der Hout zit als 2e van links naast de enige tafeldame, de journaliste Emmy Belinfante. (Foto uit Het Leven van 19 maart 1916.)
Van eigen vinding was de door Van der Houts gebruikte titel voor zijn rubriek intussen niet, want vanaf 1874 tot 1907 was die al in gebruik geweest bij de veelgeprezen Haagse correspondenten van de Arnhemsche Courant, A.M. Maas Geesteranus en A.C. Eyssell – eveneens zonder vermelding van de eigen naam. Die aanpak kon soms tot verrassende situaties leiden, zoals Van der Hout in een brief uit augustus 1913 vermeldt: “Het is voor den anonymen schrijver altijd een zeer eigenaardige gewaarwording wanneer plotseling zijn geschrijf een onderwerp van gesprek wordt, waar hij zelf bij tegenwoordig is, terwijl de sprekenden niet weten dat de schrijver in hun midden is.” Van der Houts Brieven uit de Hofstad zijn vandaag de dag in vergetelheid geraakt en dat is jammer, want ze bevatten beslist veel lezenswaardigs. Oók over de straat en de wijk, waar hij bijna een halve eeuw heeft gewoond. Want na de bevrijding keerden de Van der Houts terug in de Van Slingelandtstraat. Nr. 60 werd beider laatste woning.

Van Slingelandtstraat 70 (3e huisdeur van rechts), waar de Van der Houts van 1912 tot 1943 woonden. (Foto HGA, 2013.)
Over die straat vermeldt hij in een Hofstadbrief van maart 1920: “In den Haag kent men zijn naaste buren niet en deze onbekendheid maakt ook dat men niet de minste notitie van elkaar’s handelingen neemt. Vandaar dat in iemands onmiddellijke nabijheid allerlei ongerechtigs kan geschieden zonder dat hij er iets van merkt. In den oorlogstijd [d.w.z. 1914-1918] werd een paar huizen van mijn woning verwijderd een inval gedaan door de politie omdat men een spionnage-nest vermoedde. Nimmer was iets verdachts aan mij opgevallen.” Tja, dat is nu juist het kenmerk van een goede spion, zou je zeggen: vooral niet opvallen! Uit een eerdere brief blijkt, dat de verkapte bedelarij in de vorm van het venten aan de deur met kleerhangers, vellen schuurpapier of doosjes lucifers Van der Hout grote ergernis gaf. Volgens hem krioelde het toen trouwens in de buurt van bedelaars en landlopers. “In tien minuten gaans ontmoetten wij dezer dagen zeven mannen en vrouwen, geaccompagneerd door elf kinderen, die openlijk aan het bedelen waren.” Enig mededogen klinkt daarin niet in door! Een andere melding over de directe omgeving dateert van januari 1935: “Op den hoek van de straat, waar uw briefschrijver woont zullen vier woonhuizen worden afgebroken om ruimte te maken voor een theater met ruim duizend zitplaatsen […]. Behoefte bestaat er natuurlijk in het algemeen niet aan nog meer van dergelijke theaters. [Den Haag telde er toen 16.] ’t Is alleen de plaats van vestiging die het ‘m doen moet. Als een dergelijk theater in een woon-wijk staat, gaat men er allicht eens heen te meer omdat het de reis en de reiskosten naar het centrum der stad uitspaart.”

De vroegere bioscoop Metropole aan de Carnegielaan, aanvankelijk gepland op de hoek Willem de Zwijgerlaan-Van Slingelandtstraat. (Foto HGA, 1936.)
Uit een artikel in Het Vaderland uit die tijd blijkt. dat het hier ging om een ambitieus project. Gepland met de hoofdingang op de hoek van de Willem de Zwijgerlaan zou die bioscoop behalve de grote hoeveelheid zitplaatsen twee ruime foyers gaan bevatten, alsmede een doorgang naar een lunchroom annex automatiek. De nooduitgangen waren gedacht in de Van Slingelandtstraat en de Van Beverningkstraat. In die laatste straat zou er ook een flinke fietsenstalling komen. Uiteindelijk werd van de plannen op deze locatie afgezien en kwam de nieuwe bioscoop te staan aan de Carnegielaan. Onder de naam Metropole Palace opende die in oktober 1936 met de première van de Amerikaanse succesfilm Top Hat, waarin Fred Astaire en Ginger Rogers de hoofdrollen hadden. De bioscoop heeft tot 2004 bestaan, waarna afbraak volgde ten behoeve van de bouw van een appartementencomplex. Pas met de komst van De Uitkijk en Studio 2000 aan het Churchillplein eind 1967 kreeg het Statenkwartier twee bioscopen die echt in de buurt lagen; ze zijn in 1981 weer verdwenen.
Ook in de periode dat Van der Hout zijn brieven schreef, werd er Den Haag druk gebouwd en hij schroomde nooit zijn oordeel te geven over de uitkomsten van die arbeid. Zo deed het Vredespaleis, dat in 1913 gereedkwam, hem sterk denken aan een Neurenburger speelgoeddoos. Over het nieuwe gebouw van de Bijenkorf, dat uit 1926 dateert, noteerde hij echter prijzend: “Uit architectonisch oogpunt is dit zonder twijfel een aanwinst voor onze stad. Het iets heel bizonders!” De vormgeving van het Gemeentemuseum, dat in 1935 de deuren opende, kon hem daarentegen in het geheel niet bekoren: “[Dat] afgrijselijke gebouw schrikt ons steeds weer af en wij kunnen er maar niet aan wennen. Wij wonen toevallig vrij dicht er bij en passeeren het heel dikwijls maar altijd zijn wij geneigd het hoofd af te wenden of een omweg te maken, zóó zeer stoot dien leelijken gelen steenklomp ons af.”

Javastraat 32, waar van 1946 tot 1974 het door Van der Hout opgerichte Internationaal Persmuseum was gevestigd. (Foto HGA, 1981.)
Nieuwe bezigheden namen Van der Hout vanaf 1946 in beslag. In de loop van vele jaren had hij een indrukwekkende verzameling opgebouwd van duizenden schrifturen in vele talen en vormen, die allemaal verband hielden met de journalistiek. In de verzameling bevonden zich ook diverse curiosa, zoals het asbakje met de afbeelding van een pagina uit de Figaro van 1883. Over de totstandkoming ervan vertelde Van der Hout eind april 1963 aan een verslaggever van De Tijd/De Maasbode: “Ik ben altijd boekenmarkten afgegaan, ik heb legaten gekregen en er is heel wat uit zolderopruimingen van oude journalisten gekomen.” Die unieke collectie schonk hij aan de gemeente Den Haag, die alles vervolgens onderbracht in de suite van een pand op de Javastraat. Van dit aldus genoemde Internationaal Persmuseum werd Van der Hout de onbezoldigd directeur. Een door de gemeente aangestelde assistent werd als ambtenaar wél gesalarieerd. Samen zorgden zij voor de rondleidingen van de ongeveer duizend bezoekers per jaar. Min of meer voor de deur van het museum werd Van der Hout begin juli 1963 tijdens het oversteken van de straat het slachtoffer van een aanrijding door een motorrijder. Hij werd opgenomen in het toenmalige ziekenhuis aan het Westeinde, waar hij vervolgens op 14 juli 1963 overleed. Na vele omzwervingen is het grootste deel van zijn museumcollectie in 2017 terecht gekomen bij het Nederlands Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam. Zaken die specifiek betrekking hadden op Haagse geschiedenis werden overgedragen aan het gemeentearchief.




Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!