Lang geleden leefden er in het oude Rusland twee heilige
monniken. Op een eiland in een groot meer hadden ze hun kluis
gebouwd. Uit de wijde omtrek kwamen de mensen naar hen toe voor
raad, hulp en genezing.
Officieel waren de monniken gehoorzaamheid aan de bisschop
verschuldigd, een prelaat die zijn diocees met harde hand
bestuurde. Hij wist van het bestaan van de kluizenaars. Ook was hem
ter ore gekomen dat ze analfabeet waren en er geheel eigen gebeden
en rituelen op na hielden. Omdat hij van orde hield en het losse,
vrije gedoe wantrouwde, liet hij zich op een dag naar het eiland
varen om daar persoonlijk poolshoogte te nemen en orde op zaken te
stellen.
De monniken ontvingen hem hartelijk en waren
graag bereid zich aan zijn tucht te onderwerpen. Ze aanvaardden
zelfs dat hij hen dwong zijn leeslessen te volgen, waardoor ze in
de toekomst in staat zouden zijn de door de kerk uitgevaardigde
decreten ter kennis te nemen en het Onze Vader te schrijven en te
bidden.
De bisschop vertoefde enkele weken op het
eiland. Toen gaf hij het op. Niet alleen omdat hij niet was
opgewassen tegen hun Spartaanse levenswijze, maar ook omdat ze
duidelijk 'echt achterlijk' waren. Daar kwam nog bij dat ze in
grote eenzaamheid leefden en dus geen gevaar vormden voor de
autoriteit van de kerk.
Op een mooie, zonnige dag gaf hij hen zijn zegen,
stapte op zijn boot en voer naar zijn paleis in de grote stad
terug.
Halverwege het meer echter, toen hij op de
achterplecht onder zijn parasol zat te peinzen of ze hem misschien
toch in de maling hadden genomen, hoorde hij plotseling stemmen
achter zich. Hij keek om. Opperste verbazing toen hij de twee
mannen in hun pijen over het water naar hem toe zag komen. Hijgend
vielen ze voor hem op hun knieën. Of hij asjeblieft nog één keer de
moeite wilde nemen hen het Onze Vader te leren lezen en schrijven.
Ze vonden het zo'n mooi gebed.
Geschrokken wendde de bisschop zich af...
Na het lezen van het bovenstaande vroeg ik aan mijn ex-collega
waarom hij zijn artikel over Remedial Teaching met
deze legende had geopend.
'Omdat ik hem onlangs aan mijn huiswerkklas - tien
jongens en vijf meisjes - heb voorgelezen.'
'Waarom?'
'Ik was benieuwd hoe moderne jeugd op zo'n inhoud
reageert.'
'En?'
'Onthutsend! Jongelui van zeventien, achttien,
een enkeling nog ouder, examenkandidatenHavo en Vwo, to
ekomstige studenten dus, kunnen het verschil tussen
wijs en slim niet onder woorden brengen. Ook
het begrip heilig was hen vreemd. De reactie van de
bisschop aan het eind konden ze niet duiden. Ja, dat die
kerels over water liepen... Kon natuurlijk nooit. Aan
die bisschop was ook een steekje los.'
'Ze zitten niet voor niets op jouw
huiswerkcursus', meende ik te moeten zeggen.
'Dan vergis je je. Ze zijn heus niet dom
of verstandelijk gehandicapt. Ze kunnen de leerstof best aan. Slim
genoeg. Maar ze zijn niet in staat zich te concentreren of ergens
dieper op in te gaan. En omdat ze als de dood zijn dat ze niet
slagen en als paria's door de economische welvaartsstaat
uitgespuugd zullen worden, komen ze bij mij. Ik ben een tijdje
hun plaatsvervangend ik. Ik weet niet of ik dat nog lang
volhoud. Alle tekenen wijzen erop dat Nederlandse kinderen, de
gelukkige uitzonderingen buiten beschouwing gelaten, in een
digitale twitterwereld opgroeien, ver van ouders die zelf niet
beter weten, ver van wijze monniken, die
hen zouden kunnen vertellen hoe de wereld werkelijk in elkaar
steekt.'
'Tja', zei ik. 'Het is zoals het is. Ik hoop dat ze
je artikel plaatsen... Vind je het erg dat ik de koffie
deze keer betaal?'
Roderic schudde zijn hoofd. 'Ik zie dat ik er nog iets aan
toe moet voegen', zei hij en hij trok de pen uit zijn
binnenzak. 'Dat met die frontsoldaat.'
'Wel een mooie titel', riep ik
bemoedigend.
Carl Driessen.